Hoofdstuk 2 Tarieven Persoonsgebonden budget (Pgb)
Artikel 2.1 Hoogte Pgb
De hoogte van een Pgb:
a.bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura;
b.wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het Pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.
Artikel 2.2 Hoogte Pgb professionele aanbieder maatwerkvoorzieningen en beschermd wonen
De hoogte van het Pgb wordt voor de professionele aanbieder bepaald op basis van 80% van het laagste tarief voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde instelling.
Artikel 2.3 Hoogte Pgb informele aanbieder maatwerkvoorzieningen en beschermd wonen
De hoogte van het Pgb voor informele hulp is gelijk aan:
a.het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek; of
b.de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, tenzij de ondersteuning van de cliënt kan worden ingekocht met een lagere tegemoetkoming; of
c.de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud.
Artikel 2.4 Hoogte Pgb vervoersvoorzieningen
1De hoogte van het Pgb voor aanschaf van een vervoersvoorziening is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening in natura.
2De goedkoopst adequate vervoersvoorziening blijkt uit een door het college goedgekeurde kostenbegroting, uit een door de gemeente met een gecontracteerde leverancier afgesloten overeenkomst, of de laagst geoffreerde aanschafprijs.
3Indien een pgb voor aanschaf van een vervoersvoorziening wordt verstrekt, kan zo nodig ook een pgb voor onderhoud, service en verzekering (instandhoudingskosten) worden toegekend.
4Het pgb voor onderhoud, service en verzekering wordt jaarlijks betaald gedurende de technische levensduur van de vervoersvoorziening.
5De hoogte van een pgb voor instandhoudingskosten bedraagt het door het college vastgestelde tarief of het goedkoopst geoffreerde tarief. De door de het college vastgestelde tarieven zijn:
Soort voorziening
Bedrag
Handbewogen rolstoelen
Actief
€ 73,28
Actief en incidenteel
€ 31,85
Semi-permanent
€ 94,12
Permanent
€ 127,53
Elektrische rolstoelen
Elektrische rolstoel
€ 372,33
Scootmobielen
Scootmobiel
€ 246,67
Aangepaste fietsen
Driewielfiets
€ 67,27
Tandem
€ 94,39
Elektrische fiets
€ 63,96
Voorzieningen kinderen
Duwwandelwagen
€ 85,68
Handbewogen rolstoel
€ 97,24
Elektrische rolstoel
€ 401,03
6Indien de inwoner het pgb aanwendt voor het huren van een vervoersvoorziening ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag, gedeeld door het aantal gebruiksjaren. Voor een vervoersvoorziening wordt een economische afschrijvingstermijn van 7 jaren gehanteerd.
7De vervoersvoorzieningen in natura worden in bruikleen verstrekt.
8Vervoersvoorzieningen verstrekt in de vorm van een pgb kunnen worden teruggevraagd bij overlijden van de cliënt, het niet adequaat zijn van de voorziening of indien er geen gebruik meer wordt gemaakt van de voorziening. De restwaarde van de vervoersvoorziening kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald:
Bij overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening of geen gebruik maken van de voorziening
Restwaarde als percentage van het verstrekte persoonsgebonden budget
Eerste jaar
60%
Tweede jaar
50%
Derde jaar
40%
Vierde jaar
30%
Vijfde jaar
20%
Zesde jaar
10%
Zevende jaar
0%
Artikel 2.5 Hoogte Pgb voor woonvoorzieningen
1De hoogte van het Pgb voor aanschaf van een woonvoorziening is gelijk aan de kostprijs van de adequate en financieel voordeligste woonvoorziening in natura.
2De adequate en financieel voordeligste woonvoorziening blijkt uit door ten minste drie uitvoerders laagst geoffreerde bedrag.
3Indien een Pgb voor aanschaf van een woonvoorziening wordt verstrekt, kan zo nodig ook een Pgb voor instandhoudingskosten worden toegekend.
4Het Pgb voor instandhoudingskosten wordt jaarlijks betaald gedurende de technische levensduur van de woonvoorziening.
5De hoogte van een pgb voor instandhoudingskosten bedraagt het door het college vastgestelde tarief of het goedkoopst geoffreerde tarief. De door de het college vastgestelde tarieven zijn:
Tilliften
Tillift
€ 118,69
Douche- en toiletstoelen
Douche- en toiletstoel
€ 22,13
6De vergoeding wordt door de gemeente aan de persoon die de facturen heeft betaald, uitbetaald, na overleg van de gereedmelding en facturen van de gerealiseerde aanpassingen.
7Als de cliënt een bouwkundige woningaanpassing in natura wenst, betaalt de gemeente de facturen, aan de aannemer.
8Woonvoorzieningen in natura als bedoeld in artikel 3.8 van de Verordening duurder dan € 350,- worden in bruikleen verstrekt.
9Indien het college een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing (uitbouw, badkamer of keuken) heeft verstrekt en woning wordt binnen 10 jaar nadat de woningaanpassing is verstrekt verkocht, dan dient de meerwaarde van de woninggaanpassing – onder verrekening van de voldane eigen bijdrage als bedoeld in artikel 8.2 van de Verordening Wmo Almelo 2019 - door de woningaanpassing te worden terugbetaald aan het college tot maximaal de kostprijs van de woningaanpassing.
10Woonvoorzieningen verstrekt in de vorm van een pgb kunnen worden teruggevraagd bij overlijden van de cliënt, het niet meer adequaat zijn van de voorziening of bij verhuizen van de cliënt. De restwaarde van het woningaanpassing kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald:
Bij overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening of bij verhuizen
Restwaarde als percentage van het verstrekte persoonsgebonden budget
Eerste jaar
60%
Tweede jaar
50%
Derde jaar
40%
Vierde jaar
30%
Vijfde jaar
20%
Zesde jaar
10%
Zevende jaar
0%
Artikel 2.6 Hoogte verhuis– en herinrichtingskosten
1Het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding als genoemd in artikel 3.8 lid 3 van de Verordening bedraagt € 2.500,00;
2Een persoon, die op verzoek van de gemeente bereid is te verhuizen uit een voor een gehandicapte aangepaste woning, bestemd voor permanente bewoning, ontvangt een vergoeding van € 3.500,00.
3Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken als genoemd in artikel 3.8 lid 1 sub b van de Verordening bedraagt € 1.500,00.
4Kosten van tijdelijke huisvesting worden in beginsel vergoed als eenmalig persoonsgebonden budget met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de Huurtoeslag tot een periode van maximaal zes maanden.
Hoofdstuk 4 Eigen bijdrage
Artikel 4.1 Eigen bijdrage maatwerkvoorzieningen en vervoersvoorzieningen
1Voor een op het maatwerkvoorziening is de cliënt de maximale bijdrage in de kosten, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015, verschuldigd.
2De bijdrage in de kosten bedraagt maximaal de kostprijs van de voorziening per periode van 4 weken, waarbij:
a.de kostprijs van een eenmalige Pgb per periode gelijk is aan de hoogte van het toegekende Pgb gedeeld door de afschrijvingstermijn;
b.de kostprijs van een periodiek verstrekte Pgb gelijk is aan de hoogte van het Pgb dat per periode is toegekend;
c.de kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening per periode gelijk is aan de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is gedeeld door de afschrijvingstermijn;
d.de kostprijs van een periodiek verstrekte maatwerkvoorziening gelijk is aan de vergoeding die de gemeente hiervoor per periode verschuldigd is.
3Een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening is verschuldigd zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt of korter, bij een eenmalige Pgb of verstrekking, als eerder het bedrag van de kostprijs is bereikt.
4Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor rolstoelen, het collectief vervoer, een doventolk en het maatschappelijk werk.
5De bijdragen voor maatschappelijke opvang worden vastgesteld en geïnd door de instelling waar de cliënt verblijft.
6Bij de verstrekking van een woningaanpassing voor een cliënt onder de 18 jaar kan een bijdrage in de kosten worden opgelegd.
Artikel 4.2 Eigen bijdrage collectief vervoer
De ritbijdrage wordt berekend op basis van het werkelijk aantal gereisde kilometers, net zoals dat in het Openbaar Vervoer (OV) gebeurt. Voor elke rit met de Regiotaxi geldt een instaptarief van € 0.99 (2020:€0,96) . Elke gereisde kilometer kost € 0,203 (2020: €0,197). Deze tarieven zijn gelijk aan de OV-tarieven.
Artikel 4.3 Eigen bijdrage woonvoorzieningen volwassenen
1Voor een woonvoorziening is de cliënt de maximale bijdrage in de kosten, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning, verschuldigd.
2De bijdrage in de kosten bedraagt maximaal de kostprijs van de voorziening per periode van 4 weken, waarbij:
a.de kostprijs van een eenmalige Pgb per periode gelijk is aan de hoogte van het toegekende Pgb gedeeld door de afschrijvingstermijn;
b.de kostprijs van een periodiek verstrekte Pgb gelijk is aan de hoogte van het Pgb dat per periode is toegekend;
c.de kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening per periode gelijk is aan de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is gedeeld door de afschrijvingstermijn;
d.de kostprijs van een periodiek verstrekte woonvoorziening gelijk is aan de vergoeding die de gemeente hiervoor per periode verschuldigd is.
3Een bijdrage in de kosten van een woonvoorziening is verschuldigd zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt of korter, bij een eenmalige Pgb of verstrekking, als eerder het bedrag van de kostprijs is bereikt.
Artikel 4.4 Eigen bijdrage woningaanpassingen jeugd
Als een woningaanpassing wordt gerealiseerd voor een minderjarige is een eigen bijdrage verschuldigd. In dat geval wordt gekeken naar het inkomen en vermogen van de ouders of degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over de minderjarige. De eigen bijdrage is verschuldigd zolang van een voorziening gebruik wordt gemaakt, maar deze mag niet meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening.
Artikel 4.5 Bepalen kostprijs voorziening
De kostprijs van een maatwerkvoorziening die in de vorm van een Pgb wordt verstrekt, is gelijk aan het bedrag van het Pgb. De kostprijs van een voorziening die in natura wordt verstrekt is gelijk aan het bedrag dat de gemeente betaalt voor deze voorziening aan de aanbieder die door de gemeente gecontracteerd is. Voor hulpmiddelen (woon- en vervoersvoorzieningen) wordt uitgegaan van de kostenopgave van de door de gemeente gecontracteerde leverancier.
De kostprijs zal vervolgens moeten worden berekend naar een periode van vier weken (in aansluiting op de eigen bijdrage periode die door het CAK wordt gehanteerd). De wijze waarop de toerekening naar een periode van vier weken plaatsvindt, is afhankelijk van de verstrekte voorziening. Er zijn vier situaties mogelijk:
•voor de voorziening is een uur- of dagdeeltarief van toepassing;
•de voorziening wordt ineens betaald (ondersteuning mobiliteit of ondersteuning zelfstandig wonen);
•er is sprake van resultaatfinanciering (huishoudelijke ondersteuning);
•werkelijke kosten van de voorziening.
Uur- en dagdeeltarief
Indien een voorziening wordt toegekend in uren of dagdelen per week wordt de kostprijs als volgt berekend:
Uurtarief (of dagdeeltarief) x aantal uren (dagdelen) per week ondersteuning x 4.
Hulpmiddelen
Indien een hulpmiddel wordt toegekend waarvoor een bedrag ineens moet worden betaald (hetzij door de gemeente als de voorziening in natura wordt verstrekt hetzij door de ondersteuningsvrager als de voorziening wordt verstrekt in de vorm van een Pgb, wordt de kostprijs als volgt berekend:
Aankoopbedrag voorziening / afschrijvingstermijn
De afschrijvingstermijn in jaren is geregeld in artikel 3.2.1. van de beleidsregels Wmo Almelo 2019. De afschrijvingstermijn in jaren wordt vermenigvuldigd met dertien (per jaar zijn er namelijk dertien perioden van vier weken): dit is het aantal perioden waarover het aankoopbedrag wordt afgeschreven (dit is economische levensduur). Het berekende bedrag is het maximale bedrag van de eigen bijdrage per periode.
Indien op basis van het inkomen en vermogen een lagere eigen bijdrage wordt vastgesteld dan het berekende maximale bedrag per periode van vier weken, wordt de eigen bijdrage voortgezet totdat het aankoopbedrag is bereikt. De eigen bijdrage wordt beëindigd als geen gebruik meer wordt gemaakt van de voorziening.
Resultaatfinanciering (huishoudelijke ondersteuning)
De kostprijs is gelijk aan het bedrag dat de aanbieder per periode van vier weken voor een ondersteuningsvrager ontvangt voor het leveren van de voorziening. Voor financiële tegemoetkomingen geldt dezelfde berekeningsmethode voor het bepalen van de kostprijs.
Werkelijke kosten
Indien de werkelijke kosten van een voorziening bekend zijn en de kosten niet goed toegedeeld kunnen worden naar een uur- of dagdeeltarief, wordt uitgegaan van de werkelijke kosten per periode van 4 weken om te bepalen hoe hoog de eigen bijdrage maximaal mag zijn.
Hoofdstuk 5 Beëindigen voorzieningen
Artikel 5.1 beëindigen voorzieningen
1Bij overlijden van de cliënt wordt de maatwerkvoorziening of het pgb de dag na overlijden beëindigd. Een verstrekte vervoers- of woonvoorziening zal door het college worden ingenomen.
2Bij overlijden van de cliënt die een inwonende partner heeft, wordt de hulp bij het huishouden in natura na vier weken beëindigd.
3Bij verhuizen van de cliënt naar een andere gemeente wordt de maatwerkvoorziening of het pgb per datum verhuizing in het BRP beëindigd. Een verstrekte vervoers- of woonvoorziening zal door het college worden ingenomen.
Hoofdstuk 6 Slotbepalingen
Artikel 6.1 Evaluatie en indexering
Het Financieel Besluit wordt jaarlijks geëvalueerd en geïndexeerd op basis van de loon- en
prijscompensatie van het CBS. Indien deze evaluatie/indexatie daartoe aanleiding geeft wordt het Financieel Besluit aangepast. De indexatie van de tarieven per 1 januari 2020 en 1 januari 2021 zijn verwerkt in dit Financieel besluit.
Artikel 6.2 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in dit Financieel besluit Almelo 2019, indien toepassing daarvan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
Artikel 6.3 Citeertitel en inwerkingtreding
Dit Besluit wordt aangehaald als: 'Financieel besluit Almelo 2019'.
Dit Besluit treedt in werking op 11 juli 2019;