HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
1In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a.Bewoner: degene die volgens de in de Basis Registratie Personen (BRP) beschikbare persoonsgegevens woonachtig is in het gesloten gebied.
b.Boete: administratieve sancties op grond van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder).
c.Evenement: een A-, B- of C-evenement of een meldingsplichtig evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening Almelo.
d.Gesloten gebied: het gebied dat in blauw is aangegeven op de bij deze beleidsregels behorende kaart (JOIN-nummer: D/26/850606), waarbinnen op grond van een verkeersbesluit een geslotenverklaring en een voetgangersgebied van kracht zijn middels de borden C12 en G7 als bedoeld in het RVV 1990.
e.Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo.
f.Laden en lossen: het onmiddellijk, nadat het voertuig tot stilstand is gebracht, bij voortduring in- en uitladen van goederen van enige omvang of gewicht, die bezwaarlijk anders dan per motorvoertuig kunnen worden vervoerd, gedurende de tijd die daarvoor noodzakelijk is.
g.Marktkooplieden: een ondernemer die als deelnemer van Stichting Weekmarkten Almelo een standplaats inneemt op het marktterrein tijdens de wekelijkse warenmarkten.
h.Ontheffing: een besluit van het college als bedoeld in artikel 87 van het RVV 1990 op basis waarvan een verkeersmaatregel (gebod of verbod) niet geldt voor de ontheffinghouder onder de aan de ontheffing gestelde voorwaarden.
i.Ontheffinghouder: degene aan wie door het college ontheffing is verleend.
j.Organisator: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een evenementenvergunning verleend, of degene die melding heeft gedaan van een evenement.
k.Parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
l.RVV 1990: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
m.Standplaatshouder: de ondernemer die beschikt over een geldige standplaatsvergunning op grond van artikel 2:10 of artikel 5:18 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor een standplaatslocatie binnen het gesloten gebied.
n.Venstertijden: een bij verkeersbesluit vastgestelde tijdsperiode van maandag tot en met zaterdag tussen 7.00 uur en 11.00 uur waarin het voetgangersgebied niet van kracht is, uitsluitend voor laden en lossen.
o.Voertuig: voertuig als bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990 met uitzondering van fietsen, alsmede een aanhangwagen en overige door een voertuig voortbewogen getrokken voertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wegenverkeerswet 1994 voor zover deze zijn voorzien van een eigen kenteken.
p.Kentekenherkenningssysteem: een camerasysteem (ANPR) dat in- en uitrijdende kentekens vergelijkt met verleende ontheffingen ten behoeve van handhaving van het gesloten gebied.
q.Kentekenportaal: een door de gemeente beschikbaar gesteld digitaal systeem waarin ontheffingshouders zelf kentekens kunnen invoeren, wijzigen en verwijderen, zodat deze kentekens door de camera's (ANPR) worden herkend.
r.Zvw-gecontracteerd zittend ziekenvervoer: vervoer als bedoeld in artikel 2.1 en volgende van het Besluit zorgverzekering, uitgevoerd op basis van een overeenkomst met een zorgverzekeraar, waarbij de medische noodzaak door de zorgverzekeraar is vastgesteld op grond van de Zorgverzekeringswet.
Artikel 1.2 Reikwijdte
1Deze beleidsregels zijn van toepassing op aanvragen en afgifte van ontheffingen als bedoeld in artikel 87 van het RVV voor het inrijden en het gebruik van voertuigen in het gesloten gebied van de binnenstad.
2Het college kan op grond van artikel 87 RVV ontheffing verlenen van verkeerstekens en verkeersregels die gelden in het gesloten gebied.
3Het college is bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot het verlenen van ontheffingen als bedoeld in dit artikel en kan daaraan voorschriften en beperkingen verbinden.
Artikel 1.3 Venstertijden
1Tijdens de venstertijden geldt een vrijstelling van het verbod om met een voertuig het gesloten gebied in te rijden ten behoeve van laden en lossen.
2Het inrijden is toegestaan bij de toegangen waar de borden G7 (voetgangersgebied) en het onderbord voor “laden en lossen van 07.00-11.00 uur” aanwezig zijn.
3Buiten de venstertijden is het rijden met een voertuig in het gesloten gebied alleen toegestaan met een ontheffing.
4Een ontheffing is geldig voor laden en lossen.
5Parkeren binnen het gesloten gebied is nooit toegestaan, tenzij dit expliciet onderdeel uitmaakt van de verleende ontheffing (parkeerontheffing).
Artikel 1.4 Duur ontheffingen
1Het college onderscheidt de volgende ontheffingen:
a.Dag-ontheffing: een ontheffing voor de duur van maximaal één dag, geldig van 00.00 op de dag van gebruik tot 11.00 uur de volgende dag.
b.Incidentele ontheffing: een ontheffing voor een periode waarin toegang noodzakelijk is, met een maximum van één jaar.
c.Jaarontheffing: een ontheffing voor de duur van één jaar gerekend vanaf de ingangsdatum.
2Uitgangspunt is het verlenen van een incidentele ontheffing voor de duur die maximaal nodig is voor het uitvoeren van de activiteiten of werkzaamheden.
3Een jaarontheffing kan worden verleend als aannemelijk is dat een ontheffing een structureel karakter heeft.
Artikel 1.5 Voorschriften en beperkingen
1Het college kan aan een ontheffing voorschriften verbinden en beperkingen stellen ter bescherming van de belangen waarvoor de verkeersmaatregel is ingesteld.
2Het college kan een ontheffing beperken door voorschriften te stellen over in- en uitrijdroutes, tijdstippen, de maximale verblijfsduur binnen het gesloten gebied, bijbehorende gedragsregels en het maximaal aantal toegestane kentekens dat onder de ontheffing mag inrijden.
3De ontheffingshouder is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen.
4Aan een ontheffing zijn in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:
a.binnen het voetgangersgebied wordt max. 15 km/u (stapvoets) gereden;
b.voetgangers en overige verkeersdeelnemers mogen niet zodanig worden gehinderd dat zij in gevaar worden gebracht;
c.de kortste route van en naar de bestemming wordt gevolgd, met inachtneming van de geldende verkeersregels (zoals eenrichtingsverkeer);
d.het gebruik van het gesloten gebied als sluiproute is niet toegestaan;
e.tijdens laden en lossen wordt de motor uitgezet, tenzij dit vanwege technische eisen of voedselveiligheidsnormen niet mogelijk is;
f.geluidsoverlast wordt zoveel mogelijk beperkt en is nooit in strijd met het geldende milieurecht;
g.het gebruik van de ontheffing mag geen verkeersonveilige situatie opleveren en de doorgang van hulpdiensten niet belemmeren;
h.aanwijzingen van politie of toezichthouders worden onmiddellijk opgevolgd.
5Het college kan de voorschriften gedurende de looptijd wijzigen indien dit noodzakelijk is uit oogpunt van verkeersveiligheid of andere dringende redenen van algemeen belang.
Artikel 1.6 Geldigheid ontheffingen
1Een ontheffing is niet geldig:
a.indien deze niet gebruikt wordt voor het doel waarvoor de ontheffing is verleend;
b.buiten de in de ontheffing genoemde tijden;
c.buiten het in de ontheffing genoemde gebied;
d.op het markterrein tijdens de wekelijkse warenmarkt, behoudens de houders van een ontheffing als bedoeld in artikel 4.4.
e.op evenemententerreinen binnen het gesloten gebied, behoudens de houder van een ontheffing voor het betreffende evenement bedoeld in hoofdstuk 5.
f.als niet aan de daarvoor geldende voorschriften is voldaan.
HOOFDSTUK 2 PROCEDURE AANVRAAG EN VERLENING
Artikel 2.1 Indiening van de aanvraag
1Een aanvraag voor een ontheffing wordt digitaal of schriftelijk ingediend bij het college.
2Een aanvraag bevat een naar waarheid ingevuld aanvraagformulier.
3Een digitale aanvraag kan worden ingediend door een natuurlijk of rechtspersoon en bevat een identificatie door middel van inloggen via DigiD of eHerkenning.
4Een ontheffing wordt uitsluitend verleend indien alle benodigde gegevens en bescheiden zijn overgelegd en de aanvrager voldoet aan de in deze beleidsregels beschreven voorwaarden.
Artikel 2.2 Beslistermijnen
1Het college beslist binnen een redelijke termijn, doch uiterlijk vier weken na ontvangst op een aanvraag voor een incidentele of jaarontheffing.
2Het college kan deze termijn eenmaal met ten hoogste vier weken verdagen. De aanvrager wordt hiervan vóór afloop van de termijn op de hoogte gesteld.
3Een aanvraag om een ontheffing kan buiten behandeling worden gesteld wanneer deze minder dan drie weken vóór de gewenste ingangsdatum is ingediend.
4In afwijking van de voorgaande leden wordt op de aanvraag voor een dag ontheffing direct beslist. Een dag-ontheffing kan worden aangevraagd vanaf drie weken voorafgaand aan de gewenste ingangsdatum tot en met de dag van gebruik.
Artikel 2.3 Weigeringsgronden
1Het college kan een ontheffing weigeren indien:
a.de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in dit beleid;
b.de gevraagde ontheffing naar het oordeel van het college strijdig is met de verkeersveiligheid, de bescherming van weggebruikers of de leefbaarheid in het gebied;
c.de gevraagde ontheffing naar aard en duur niet verenigbaar is met de functie van het gesloten gebied;
d.sprake is van kennelijk misbruik of oneigenlijk gebruik van de ontheffing;
e.de aanvrager binnen 6 maanden voorafgaand aan de aanvraag een ontheffing heeft gehad die is ingetrokken wegens handelen in strijd met de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen.
2Voordat een aanvraag op grond van het eerste lid, onderdelen a t/m d, wordt geweigerd, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag aan te passen of nader te motiveren.
Artikel 2.4 Intrekking en wijziging
1Een ontheffing kan door het college worden ingetrokken of gewijzigd indien:
a.de omstandigheden waaronder de ontheffing eerder is verleend zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet langer nodig is of niet langer zou worden verleend;
b.de ontheffinghouder niet meer voldoet aan de voorwaarden die voor het verkrijgen van de ontheffing gelden;
c.de ontheffinghouder daarom verzoekt;
d.ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
e.na het overlijden van de ontheffingshouder;
f.niet wordt voldaan aan de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen;
g.de ontheffinghouder binnen een periode van 12 maanden driemaal is beboet voor het oneigenlijk gebruik van de ontheffing of verkeersovertredingen (inclusief parkeren) binnen het gesloten gebied;
h.de ontheffinghouder in overleg met de politie beboet is voor activiteiten die worden ontplooid in strijd met andere regelgeving waarbij gebruik is gemaakt van het betreffende voertuig.
2In het geval bedoeld in het eerste lid onder f t/m h, kan de aanvrager of het kenteken voor een periode van 6 maanden worden uitgesloten van het aanvragen van een nieuwe ontheffing.
3Wanneer het college een ontheffinghouder verzoekt om inlichtingen omtrent gebruik en voorschriften van de ontheffing is houder verplicht deze binnen 4 weken te verstrekken.
HOOFDSTUK 3 VOORWAARDEN ONTHEFFINGVERLENING
Artikel 3.1 Afwegingskader
Dit hoofdstuk beschrijft de criteria en voorwaarden die het college hanteert bij het verlenen van een RVV-ontheffing voor voertuigen binnen het gesloten gebied. Ontheffing voor het overtreden van de verkeerstekens en verkeersregels uit artikel 87 van het RVV is niet vanzelfsprekend. Het college is daarom terughoudend met het verlenen van ontheffing en past het “nee, tenzij” principe toe als uitgangspunt bij het afwegen van aanvragen voor een RVV-ontheffing.
Artikel 3.2 Algemeen criterium
1Het college beoordeelt per aanvraag of het voor de uitvoering van werkzaamheden of activiteiten noodzakelijk is het gesloten gebied te betreden.
2Een ontheffing wordt uitsluitend verleend indien:
a.de afstand tot omliggende laad- en losvoorzieningen redelijkerwijs niet kan worden overbrugd vanwege de aard van het vervoer of de werkzaamheden;
b.redelijkerwijs niet kan worden volstaan met uitvoering binnen de venstertijden;
c.de duur en frequentie van de toegang in verhouding staan tot het doel van de ontheffing;
d.de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid voor hulpdiensten is gewaarborgd.
3Redenen van een efficiënte bedrijfsvoering of het verkorten van routes worden niet als noodzakelijk aangemerkt en vormen geen grond voor een ontheffing.
4Voor de doelgroepen genoemd in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 wordt de noodzaak in beginsel aanwezig geacht. Per aanvraag beoordeelt het college of en in welke mate toegang tot het gesloten gebied noodzakelijk is.
Artikel 3.3 Dag-ontheffing
1Het college kan een dag-ontheffing verlenen aan partijen die gedurende maximaal één dag het gesloten gebied willen betreden met een voertuig ten behoeve van laden en/of lossen.
2Voor de aanvraag is geen nadere onderbouwing noodzakelijk.
3De ontheffing geldt voor maximaal 1 kenteken en kan worden uitgebreid met 1 kentekens voor een getrokken voertuig met eigen kenteken.
4Een dag-ontheffing is geldig:
a.indien aangevraagd vóór de dag van gebruik: van 00.00 tot en met 11.00 uur de volgende dag.
b.indien aangevraagd op de dag van het gebruik: vanaf het moment van verlening tot en met 11.00 uur de volgende dag.
Artikel 3.4 Incidentele- en jaarontheffingen
1Het college kan een incidentele- of jaarontheffing verlenen aan partijen die langer dan één dag het gesloten gebied willen betreden met een maximum van één jaar.
2Voor de aanvraag is een onderbouwing noodzakelijk die minimaal bevat:
a.een uitleg van de aard en het karakter (tijdelijk of structureel) van de werkzaamheden of activiteiten;
b.de periode waarvoor toegang noodzakelijk is;
c.een uitleg van het gewenste gebruik van de ontheffing: op welke locaties wordt in- en uitgereden, op welke momenten, hoe wordt omgegaan met al dan niet parkeren;
d.maatregelen ter beperking van overlast voor voetgangers en andere weggebruikers.
3De in de aanvraag beschreven wijze van gebruik kan door het college als voorwaarde aan de ontheffing worden verbonden.
Artikel 3.5 Parkeren
1Een ontheffing kan worden uitgebreid met een ontheffing om in het gebied te parkeren indien:
a.de aard van het vervoer of de werkzaamheden maakt dat de loopafstand tot de dichtstbijzijnde parkeervoorzieningen redelijkerwijs niet kan worden overbrugd, gelet op het gewicht, volume of de kwetsbaarheid van de te vervoeren goederen;
b.sprake is van een functionele verbondenheid tussen het voertuig en de werkzaamheden, doordat apparatuur of voorzieningen in het voertuig zijn ingebouwd en niet los van het voertuig kunnen worden gebruikt;
c.het voertuig noodzakelijk is voor de uitvoering van een wettelijke of publiekrechtelijke taak, waarbij directe aanwezigheid van het voertuig noodzakelijk is.
2Een ontheffing wordt niet verleend wanneer alternatieve parkeervoorzieningen rond het gebied voldoende mogelijkheden bieden.
3In de ontheffing als bedoeld in lid 1 wordt als voorwaarde opgenomen dat:
a.parkeren uitsluitend toegestaan is voor de duur die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de betreffende activiteit;
b.het voertuig geen gevaar of onevenredige hinder mag veroorzaken voor voetgangers;
c.het voertuig uitritten en de doorgang voor hulpdiensten niet mag blokkeren.
HOOFDSTUK 4 – VOORWAARDEN PER DOELGROEP
Artikel 4.1 Vrijstellingen
1Het college kan een ontheffing verlenen voor voertuigen die bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 zijn vrijgesteld van de betreffende verkeersmaatregelen, maar niet als zodanig herkenbaar zijn voor het kentekenherkenningssysteem.
2Een ontheffing kan onder meer worden verleend aan:
a.voertuigen van nood- en hulpdiensten, zoals politie, brandweer en ambulance, waaronder voertuigen voor heimelijk gebruik;
b.geld- en waardetransporten als bedoeld in de Regeling vrijstelling geld- en waardetransporten;
c.partijen en instanties die beschikken over een door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat verleende vrijstelling, voor zover deze vrijstelling ziet op de betreffende verkeersvoorschriften;
3In de ontheffing als bedoeld in lid 1 wordt als voorwaarde opgenomen dat het gebruik van de ontheffing alleen is toegestaan voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taak of werkzaamheden waarvoor de vrijstelling is verleend.
Artikel 4.2 Openbare diensten
1Het college kan een jaarontheffing verlenen aan diensten en bedrijven die in opdracht van of namens de gemeente Almelo werkzaamheden uitvoeren op het gebied van:
a.toezicht, handhaving, openbare orde en veiligheid;
b.voor reiniging, beheer en onderhoud van de openbare ruimte;
c.voor afvalinzameling;
d.ter uitvoering van een gemeentelijke taak of een publiekrechtelijke taak.
2De ontheffing is alleen geldig voor de uitvoering van werkzaamheden binnen het gesloten gebied.
Artikel 4.3 Taxi’s
1Het college kan aan taxivervoerders een jaarontheffing verlenen.
2De ontheffing is uitsluitend geldig voor het vervoer van passagiers met een herkomst of bestemming in het gesloten gebied.
3De ontheffing is geldig op maandag tot en met woensdag en vrijdag tot en met zondag van 18.00 uur tot 07.00 uur de volgende dag en op donderdag vanaf 21.00 uur tot 07.00 uur de volgende dag.
4De ontheffing wordt onverminderd het bepaalde in artikel 2.3 geweigerd als:
a.de taxivervoerder niet beschikt over een geldige vergunning op grond van de Wet personenvervoer 2000;
b.het voertuig waarvoor ontheffing is verleend niet duidelijk herkenbaar is als taxi en geen geldige blauwe kentekenplaat met zwarte letters voert;
c.geschikte taxistandplaatsen in de directe nabijheid van het gesloten gebied beschikbaar zijn.
Artikel 4.4 Markt
1Het college kan aan de Stichting Weekmarkten Almelo een jaarontheffing verlenen voor voertuigen van marktkooplieden ten behoeve van het opbouwen, afbreken en/of bevoorraden van de markt.
2De ontheffing is geldig van 05.00 tot 12.00 uur en van 17.00 tot 19.00 uur.
3In de ontheffing als bedoeld in lid 1 wordt als voorwaarde opgenomen dat de aanwezigheid van voertuigen die niet voor de directe verkoop dienen tijdens de markturen verboden is.
Artikel 4.5 Standplaatshouders
1Aan standplaatshouders met een standplaats binnen het gesloten gebied kan het college een jaar- of incidentele ontheffing verlenen voor het inrijden ten behoeve van exploitatie of het opbouwen, afbreken en/of bevoorraden van de standplaats.
2In de ontheffing als bedoeld in lid 1 wordt als voorwaarde opgenomen dat de aanwezigheid van voertuigen tijdens de exploitatie-uren is verboden, tenzij dit voertuig onderdeel uitmaakt van de standplaats en is opgenomen in de standplaatsvergunning.
3De ontheffing wordt beperkt naar de dagen en tijden van standplaatsinname.
Artikel 4.6 Huisartsen en verloskundigen
1Het college kan een jaarontheffing verlenen aan huisartsen en verloskundigen voor het verlenen van spoedeisende zorg aan patiënten die uitsluitend bereikbaar zijn via het gesloten gebied.
2Onder spoedeisende zorg wordt verstaan: zorg die onmiddellijk noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige of onomkeerbare gezondheidsschade, waarbij uitstel redelijkerwijs niet mogelijk is.
3De ontheffing kan worden verleend voor maximaal 2 kentekens per BIG-geregistreerde zorgverlener.
4De ontheffing is alleen geldig voor ritten van- en naar bestemmingen binnen het gesloten gebied.
5De ontheffing is niet geldig voor (geplande) huisbezoeken of paramedische zorg.
Artikel 4.7 Medisch noodzakelijk vervoer
1Het college kan een jaarontheffing verlenen aan vervoerders of organisaties die medisch noodzakelijk vervoer verzorgen van bewoners.
2Onder medisch noodzakelijk vervoer wordt verstaan: vervoer dat is gericht op het bereiken van medische bestemmingen (zoals huisarts, ziekenhuis, medisch specialist of therapeut), waarbij de bewoner gelet op een aantoonbare mobiliteitsbeperking redelijkerwijs niet in staat is om zelfstandig en veilig gebruik te maken van omliggende parkeervoorzieningen.
3Medisch noodzakelijk vervoer als bedoeld kan in elk geval worden verricht door:
a.Zvw-gecontracteerd zittend ziekenvervoer;
b.begeleid vervoer via Steunpunt Mantelzorg Almelo;
c.collectief vraagafhankelijk vervoer door de concessiehouder (Regiotaxi Twente), voor zover sprake is van medisch noodzakelijke verplaatsingen.
4De ontheffing is geldig voor ritten waarbij de herkomst of bestemming is gelegen op een woonadres van- en naar een medische bestemming.
5De ontheffing geldt niet voor vervoer van of naar winkels, horecagelegenheden, overige publieksfuncties of voor het vervoer van bezoekers van het gesloten gebied.
Artikel 4.8 Incidentele categorieën
1Het college kan daarnaast een incidentele ontheffing verlenen voor onder meer:
a.bouw-, installatie- en reparatieverkeer;
b.storings- en calamiteitendiensten;
c.incidentele standplaatsen
d.zendwagens van media;
e.verhuizingen;
f.rouw- en trouwvoertuigen, inclusief volgauto’s;
g.andere naar het oordeel van het college hiermee gelijk te stellen gevallen.
HOOFDSTUK 5- EVENEMENTENVERKEER
Artikel 5.1 Ontheffing vergunningplichtige evenementen
1Het college kan aan voertuigen die noodzakelijk zijn voor de opbouw, uitvoering en afbouw van een vergunningplichtig evenement een incidentele ontheffing verlenen.
2De ontheffing is geldig binnen de in de evenementenvergunning genoemde periode, inclusief op- en afbouw, en eindigt de daaropvolgende dag om 11.00 uur.
3Het college kan in aanvulling een ontheffing verlenen om binnen het gebied te parkeren. Deze ontheffing is alleen geldig:
a.gedurende een evenement: voertuigen die functioneel onderdeel uitmaken van het evenement en als zodanig zijn aangewezen in de evenementenvergunning;
b.gedurende de op- en afbouwfase: als sprake is van de gevallen genoemd in artikel 3.5, eerste lid.
4Het college beoordeelt per aanvraag het maximaal aantal voertuigen dat toegang krijgt tot het gesloten gebied, mede op basis van de aard en omvang van het evenement, de verkeersveiligheid en de beschikbare ruimte binnen het gebied.
Artikel 5.2 Aanvraag vergunningplichtige evenementen
1Indien bij de aanvraag om een evenementenvergunning blijkt dat het gebruik van voertuigen binnen het gesloten gebied noodzakelijk is, beoordeelt het college ambtshalve of een ontheffing als bedoeld in 5.1 kan worden verleend.
2Voor zover in het kader van een evenement een ontheffing gevraagd of noodzakelijk is, verstrekt de organisator bij de aanvraag om een evenementenvergunning aan het college de volgende gegevens:
a.een overzicht van de voertuigen die onderdeel uitmaken van het evenement;
b.een toelichting op de voertuigen die noodzakelijk zijn voor de opbouw en afbouw en bevoorrading, inclusief een globale planning.
3In afwijking van artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, wordt op een aanvraag beslist gedurende de behandeling van de aanvraag om een evenementenvergunning en uiterlijk met de beslissing op die aanvraag, met inachtneming van de beslistermijnen voor A, B en C-evenementen genoemd in artikel 2.25 van de Algemene Plaatselijke Verordening Almelo.
4De ontheffing wordt op naam van de organisator verleend.
Artikel 5.3 Meldingsplichtige evenementen
1Het college kan voor een meldingsplichtig evenement een incidentele ontheffing verlenen voor voertuigen die noodzakelijk zijn voor opbouw, uitvoering en afbouw van dat evenement.
2De beoordeling van een aanvraag vindt ambtshalve plaats bij de ontvangst van een melding en wordt bij goedkeuring voorafgaand aan het evenement verleend, met inachtneming van de termijnen genoemd in artikel 2.25a van de Algemene Plaatselijke Verordening Almelo.
3De ontheffing geldt voor maximaal 5 kentekens en kan worden uitgebreid met 5 kentekens voor getrokken voertuigen met eigen kenteken.
4De ontheffing is geldig binnen de in de melding genoemde periode en eindigt de daaropvolgende dag om 11.00 uur.
Artikel 5.4 Intrekking ontheffing evenementen
1Onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 kan het college een verleende ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien:
a.de burgemeester het evenement verbiedt;
b.de evenementenvergunning wordt ingetrokken of gewijzigd, of aan een meldingsplichtig evenement voorschriften en beperkingen worden verbonden, voor zover dit gevolgen heeft voor het gebruik van voertuigen;
c.het evenement niet plaatsvindt.
HOOFDSTUK 6 GEBRUIK KENTEKENPORTAAL
Artikel 6.1 Gebruik van het kentekenportaal
1Het college kan aan een ontheffinghouder toegang verlenen tot een digitaal kentekenportaal ten behoeve van het registreren van kentekens van voertuigen die onder een verleende ontheffing mogen rijden.
2Het college kan beperkingen aan het gebruik verbinden, waaronder de hoeveelheid kentekens die gelijktijdig per ontheffing kunnen worden geregistreerd en of kentekens kunnen worden gewijzigd of verwijderd of niet.
3De ontheffinghouder is verantwoordelijk voor:
a.het tijdig en correct invoeren van kentekens;
b.het verwijderen van kentekens die geen toegang meer nodig hebben;
c.het informeren van de betrokken bestuurders over de geldende voorschriften.
4Voertuigen waarvan het kenteken niet is geregistreerd vallen buiten de ontheffing.
5De gemeente is niet aansprakelijk voor fouten of omissies in de invoer door de ontheffinghouder.
Artikel 6.2 Moment van geldigheid van kentekens
1De ontheffinghouder kan voorafgaand en gedurende de geldigheidsduur van de ontheffing kentekens toevoegen en wijzigen of verwijderen, voor zover er geen beperkingen gelden.
2Een kenteken is geldig vanaf het moment van registratie in het kentekenportaal, dan wel vanaf het moment dat de ontheffing ingaat.
3Een registratie heeft geen terugwerkende kracht en leidt niet tot het vervallen van reeds geconstateerde overtredingen.
4Kentekens waarvan (een deel van) de gegevens ontbreken, onjuist of ongeldig zijn, worden niet geaccepteerd door het kentekenherkenningssysteem.
Artikel 6.3 Controle
1Het college kan steekproefsgewijs controleren of geregistreerde kentekens overeenkomen met de voorwaarden in dit beleid.
2Bij misbruik of oneigenlijk gebruik kan het college de toegang tot het kentekenportaal beperken of intrekken en/of de ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken.
HOOFDSTUK 7 HANDHAVING
Artikel 7.1 Handhaving
1Indien de ontheffinhouder dan wel de bestuurder van het voertuig waarvoor ontheffing is afgegeven zich niet houdt aan de daaraan verbonden voorschriften kan door de buitengewoon opsporingsambtenaren en de politie proces-verbaal worden opgemaakt.
2Met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.4 kan de ontheffing bij overtreding worden ingetrokken.
HOOFDSTUK 8 AFWIJKING VAN HET BELEID
Artikel 8.1 Afwijkingsbevoegdheid
Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dit voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen (artikel 4:84 Awb) met dien verstande dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld.
HOOFDSTUK 9 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 9.1 Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels ontheffingen geslotenverklaring en voetgangersgebied binnenstad Almelo 2026”.
Artikel 9.2 Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na publicatie in het gemeenteblad.
Artikel 9.3 Overgangsbepaling
1Aanvragen die worden ingediend na inwerkingtreding worden beoordeeld met toepassing van deze beleidsregels.
2Ontheffingen die vóór inwerkingtreding van deze beleidsregels zijn verleend, blijven van kracht, tenzij zij op grond van artikel 2.4 worden ingetrokken of gewijzigd.