Aanhef
Uitgangspunten bij de plaatsing van antennes voor mobiele communicatie
Besluit
1In te stemmen met de “Handreiking opstelpunten antenne-installaties”;
Samenvatting
Deze handreiking dient als wegwijzer voor verschillende partijen, zoals inwoners, telecomaanbieders, bedrijven en verenigingen. De handreiking heeft als doel duidelijkheid te geven over de uitgangspunten die de gemeente hanteert bij de aanleg van infrastructuur voor digitale connectiviteit en antenne-installaties voor mobiele communicatie in het bijzonder.
Binnen Alkmaar staan voornamelijk installaties met sectorantennes. Dit type antenne-installaties speelt een cruciale rol in de infrastructuur van mobiele netwerken. Small Cells worden in deze handreiking ook benoemt, maar maken nog geen onderdeel uit van het mobiele netwerk in Alkmaar. Telecomaanbieders voorzien op korte termijn ook nog geen uitrol van een dergelijk netwerk.
De gemeente is -binnen de kaders van de (landelijke) wetgeving- autonoom in het bepalen van haar uitvoeringsbeleid voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarbij is zij het bevoegd gezag bij omgevingsvergunningplichtige antennes en algemene welstandseisen. Om de ruimtelijke- en omgevingskwaliteit van Alkmaar te waarborgen, is de Welstandnota Alkmaar 2016 vastgesteld. In de Welstandsnota staan regels die de gemeente toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand. De geformuleerde eisen liggen in lijn met wet- en regelgeving op Europees, nationaal en provinciaal niveau. In deze handreiking wordt verwezen naar de verschillende activiteiten, zoals de technische bouwactiviteit, omgevingsplanactiviteit bouwwerken, monumentenactiviteit, beperkingengebied-activiteit, natura 2000-activiteit, milieubelastende activiteit.
In de Welstandnota wordt onderscheid gemaakt tussen drie welstandsniveaus. Dit zijn beschermd (paragraaf 4.1.1), regulier (paragraaf 4.1.2) en bijzonder (paragraaf 4.1.3). De welstandgebieden 1 t/m 3 (Binnenstad, Westerhoutkwartier en De Rijp, zie bijlage 2b) vallen onder beschermd stads- en dorpsgezicht en daarmee onder het “beschermd” welstandsniveau. Hiervoor geldt een restrictief beoordelingskader, waarbij getoetst wordt op:
1De zichtbaarheid van de antenne(installaties) en bijbehorende appendages;
2Site-sharing, waarbij meerdere installaties op één per pand of toren worden geclusterd;
3Antenne-installaties mogen maximaal 5,00 m hoog;
4Locatiekeuze van vrijstaande antennemasten;
5Vrijplaatsen van antennes op een achtererf (niet aan een gebouw bevestigen).
Voor de overige welstandsgebieden die vallen onder het “regulier” en “bijzonder” welstandniveau, geldt een faciliterend beoordelingskader. Antenneplaatsingen in deze welstandsgebieden wordt gezien als noodzakelijk, met doel het verbeteren van de dekking en/of capaciteit van een mobiel netwerk. Bij deze welstandgebieden wordt getoetst op dezelfde criteria als bij het “beschermd” welstandniveau, maar minder streng.
Voor het landelijk gebied geldt de richtlijn dat er zoveel mogelijk bij al gebouwde of gerealiseerde elementen in het gebied geplaatst dient te worden. Een locatie in of aan een bos verdient de voorkeur boven een locatie midden in een open weidegebied. Voor beschermd natuurgebied dient een grote mate van terughoudendheid te worden betracht bij de plaatsing van nieuwe installaties (zie hoofdstuk 3, Natura-2000 activiteit).
In het afwegingskader zet de gemeente allereerst in op colocatie. Telecomaanbieders dienen zoveel mogelijk van dezelfde voorzieningen gebruik te maken. Blijkt dit niet mogelijk, dient gebruik te worden gemaakt van bestaande infrastructuur (voornamelijk gebouwen). Als colocatie en bestaande infrastructuur onderbouwd niet mogelijk blijkt, wordt ingezet op de plaatsing van een antennemast.
Hierbij wordt ingezet op de welstandgebieden die vallen onder het reguliere en bijzondere welstandniveau. Daarbij wordt onderstaande ladderstructuur aangehouden, waarbij 1 de voorkeur betreft boven 2, en zo verder.
1Groen, sport & recreatie (welstandsgebied 15);
2Bedrijventerreinen & Industrie (welstandsgebied 14);
3Multifunctionele gebieden (welstandsgebied 13);
4Woonfuncties (welstandsgebieden 4 t/m 12);
5Hoofdroutes (welstandsgebied 17);
6Landelijk gebied (welstandsgebied 16).
De coördinatie van de aanleg van digitale infrastructuur voor antennes is belegd bij de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Economie. Binnen deze afdeling heeft de Strategisch Programmeur de regierol aan de voordeur als aanspreekpunt voor initiatiefnemers. De gemeente Alkmaar zet in op transparante en zorgvuldige afwegingen op basis van objectieve criteria, voor het bereiken van snelle en consistente besluitvorming zonder langdurige onderhandelingsprocessen. Dit betekent een gedeelde verantwoordelijkheid voor zowel initiatiefnemer als de gemeentelijke organisatie.
4 Ruimtelijke aspecten
4.1 Publiekrechtelijk
4.1.1 Welstandgebieden met beschermd welstandniveau
Voor de welstandsgebieden die vallen onder het beschermd welstandniveau, hanteert de gemeente een restrictief beoordelingskader. Hier wordt medewerking verleend, als aangetoond kan worden dat de mobiele connectiviteit in het geding is. Daarbij dient aangetoond te worden dat in de omliggende gebieden, met een regulier of bijzonder welstandniveau, geen adequate locatie of oplossing gevonden kan worden.
Het voeren van restrictief beleid is mede ingegeven door de ervaring dat een antenne-installatie, zoals een vrijstaande antennemast, vaak bezwaren oplevert, wat leidt tot lange procedures. Hieronder vallen ook monumenten en beschermde dorps- en/of stadsgezichten.
De welstandgebieden 1 t/m 3 (Binnenstad, Westerhoutkwartier en De Rijp, zie bijlage 2b) vallen onder beschermd stads- en dorpsgezicht. Deze gebieden kennen veel cultuurhistorische waarde door landschappelijke, stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten en zijn mede daardoor Rijksbeschermd. Voor de toets aan redelijke eisen van welstand dienen de volgende criteria gehanteerd te worden:
6De zichtbaarheid van de antenne(installaties) en bijbehorende appendages moeten vanaf de openbare ruimte worden geminimaliseerd oftewel plaatsen achter de voorgevellijn en zoveel mogelijk inpassen in de omgeving of uit het zichtveld;
7Telecomaanbieders dienen zoveel mogelijk opstelpunten te delen (site-sharing), waarbij meerdere installaties op één per pand of toren worden geclusterd;
8Antenne-installaties (spriet of staafantenne) mogen maximaal 5,00 m hoog zijn (gemeten vanaf maaiveld of snijpunt met aangrenzend dakvlak bij plaatsing op dak of aan gevel);
9Bij de locatiekeuze van antenne-installaties en opstelpunten (vrijstaande antennemasten), moet zoveel mogelijk worden aangesloten bij bestaande hoge bebouwing en/of hoge verticale elementen binnen en buiten de bebouwde kom. Installaties en bijbehorende voorzieningen dienen in één geheel vormgegeven te worden gegeven met de omgeving als het gaat om materiaalkeuze, kleurstelling (gegalvaniseerd, antraciet of grijs) en vormgeving (slank);
10Bij het plaatsen van antennes op een achtererf, altijd vrijplaatsen, dus niet aan een gebouw bevestigen.
4.1.2 Welstandgebieden met regulier welstandniveau
De welstandsgebieden die vallen in het regulier welstandsniveau zijn (zie ook kaarten bijlage 2):
•Vroege uitbreidingen (gebied 6)
•Wederopbouw (gebied 7)
•Rechte wijken (gebied 8)
•Woonerven en de Mare (gebied 9)
•Thematische wijken (gebied 10)
•Dorpse en individuele uitbreidingen (gebieden 11 & 12)
•Bedrijventerreinen & Industrie (gebied 14)
•Groen, sport & recreatie (gebied 15)
Antenneplaatsingen in deze welstandsgebieden wordt gezien als noodzakelijk met doel het verbeteren van de dekking en/of capaciteit van een mobiel netwerk. Voor deze gebieden hanteert de gemeente een faciliterend beoordelingskader. Antennes worden aan een vrijstaande antennemast gehangen of op/ aan een bouwwerk aangebracht. In alle gevallen dient een zorgvuldige plaatsbepaling plaats te vinden, om de installatie goed in de omgeving in te passen. Een installatie voldoet aan redelijke eisen van welstand op basis van de in hoofdstuk 3 van de Welstandnota genoemde basiscriteria voor objecten (zie installaties onder 7). Voor het plaatsen, betekent dit het volgende:
1De zichtbaarheid van de antenne(installaties) en bijbehorende appendages moeten vanaf de openbare ruimte worden geminimaliseerd. Dat betekent dat installaties op platte daken terugliggend van gevels dienen te worden geplaatst;
2Telecomaanbieders dienen zoveel mogelijk opstelpunten te delen (site-sharing), waarbij meerdere installaties op één pand of toren worden geclusterd;
3De hoogte van de antenne-installaties (spriet of staafantenne) moet gerelateerd worden aan nabijgelegen bebouwing;
4Bij de locatiekeuze van antenne-installaties en opstelpunten (vrijstaande antennemasten), moet zoveel mogelijk worden aangesloten bij bestaande hoge bebouwing en/of hoge verticale elementen. Als het gaat om materiaalkeuze, kleurstelling (gegalvaniseerd, antraciet of grijs) en vormgeving (slank), dienen installaties en bijbehorende voorzieningen als één geheel vormgegeven te worden, in lijn met de omgeving.
4.1.3 Welstandgebieden met bijzonder welstandniveau
De welstandsgebieden die vallen in het bijzonder welstandsniveau zijn (zie ook kaarten bijlage 2):
•Linten landelijk en stedelijk (gebieden 4 & 5);
•Multifunctionele gebieden (gebied 13);
•Landelijk gebied (gebied 16);
•Hoofdroutes (gebied 17).
Voor deze welstandsgebieden geldt ook het faciliterend beoordelingskader. Naast de genoemde basiscriteria (zie paragraaf 4.1.2) zijn er in hoofdstuk 3 van de welstandnota een aantal aanvullende criteria benoemd. Voor het plaatsen, betekent dit het volgende:
5Antenne-installaties (spriet of staafantenne) mogen maximaal 5,00 m hoog zijn (gemeten vanaf maaiveld of snijpunt met aangrenzend dakvlak bij plaatsing op dak of aan gevel).
6Installatie en bijbehorende voorzieningen als één geheel vormgeven en opnemen in een kast als onderdeel van de bouwmassa en architectuur van het gebouw.
Voor het landelijk gebied geldt de richtlijn dat er zoveel mogelijk bij al gebouwde of gerealiseerde elementen in het gebied geplaatst dient te worden. Denk aan wegen, viaducten, hoogspanningsmasten en verkeersportalen maar ook aan agrarische bedrijfscentra en de daar aanwezige hogere bouwwerken, zoals silo’s. Daarbij heeft een locatie in of aan een bos de voorkeur boven een locatie midden in een open weidegebied. Voor beschermd natuurgebied dient een grote mate van terughoudendheid te worden betracht bij de plaatsing van nieuwe installaties (zie hoofdstuk 3, Natura-2000 activiteit).
Figuur 5: Overzicht Faciliterend en Restrictief binnen de Welstandniveaus