Aanhef
Inhoudsopgave
VOORWOORD
INLEIDING
Tabblad 1 Inleiding
DEEL A BELEID
Tabblad 2 Welstandsbeleid
Tabblad 3 Inkadering van het welstandsbeleid
DEEL B CRITERIA
Gebruikshandleiding
Tabblad 4Algemene criteria
Tabblad 5Gebiedsgerichte (sneltoets)criteria
Tabblad 6Thematische uitwerkingen
Tabblad 7Sneltoetscriteria
Tabblad 8 (Repressieve) criteria voor vergunningsvrije bouwwerken
DEEL C PROCEDURE
Tabblad 9Organisatie van welstand
Tabblad 10Welstands en bouwvergunningsprocedure
BIJLAGEN
Tabblad 11
KAARTEN
Tabblad 12
Correcties en wijzigingen ten opzichte van de eerste gewijzigde versie
•Het toevoegen van het hoofdstuk H4.3 Karakteristiek dorpsgezicht Poortugaal en Rhoon.
VOORWOORD
In de nieuwe Woningwet is onderkend dat welstandszorg als middel tot sturing van de ruimtelijke kwaliteit onontbeerlijk is. Tegelijkertijd is ook geconstateerd dat er kritiek is op de wijze waarop de welstandszorg tot nu toe wordt uitgeoefend. De werkwijze van de commissie om, in beslotenheid en zonder vooraf geformuleerde criteria, adviezen uit te brengen met verstrekken de gevolgen voor de burger, is achterhaald. Tegen deze achtergrond heeft de Rijksoverheid in de nieuwe Woningwet voorstellen opgenomen om de welstandsadvisering te vermaatschappelijken en te baseren op vooraf geformuleerde criteria. Aan de gemeenten de taak om deze criteria voor de welstandsbeoordeling vast te stellen. Het doet mij genoegen u de welstandsnota voor de gemeente Albrandswaard te kunnen voorleggen.
Wat beoogt de gemeente met de nieuwe nota?
Iedereen die onze gemeente rondkijkt zal zo zijn oordeel hebben over mooi en lelijk. Dit is en blijft een persoonlijke opvatting, daar gaat deze welstandsnota dan ook niet over. Toch valt er op twee aspecten winst te behalen als het om de gebouwde omgeving gaat, en wel op het gebied van de kwaliteit van het woonmilieu en de verbetering van het inzicht in de beoordeling van bouwplannen. De kwaliteit van het woon en leefmilieu is altijd voor verbetering vatbaar, op de ene plaats wat meer dan op de andere. In de nota is hierop ingespeeld door die delen van de gemeente aandacht te geven, die dat wat meer nodig hebben. In de nota wordt het gemeentelijke beleid vastgesteld. Hierin kan worden bepaald dat een historisch waardevolle omgeving aan hogere kwaliteitseisen worden getoetst dan bijvoorbeeld een industrieterrein. Ook binnen woonwijken kan onderscheid aangebracht worden tussen de toe te passen welstands-criteria, afhankelijk van de na te streven verbetering. Om dit te bereiken is in de wet de zogenaamde gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd. Zonder expliciete criteria is de welstandsbeoordeling voor de burger nauwelijks voorspelbaar. In de nota wordt daarom aangegeven aan welke criteria de plannen getoetst worden en op welke accenten er in bepaalde gebieden of bij bijzondere objecten specifiek wordt gelet. Op deze manier wordt de helderheid en de openheid bij de beoordeling door de welstandscommissie vergroot. Ik ben er van overtuigd, dat deze welstandsnota een positieve bijdrage levert aan de bevordering van het begrip tussen planindiener en welstandscommissie en daarmee aan de versoepeling van de beoordeling van bouwplannen in onze gemeente en niet te vergeten, dat deze welstandsnota bijdraagt aan het behouden en versterken van een goede ruimtelijke kwaliteit in onze gemeente! Ik dank allen die aan het tot stand komen van deze nota hebben gewerkt.
D.C. Roelse
portefeuillehouder Ontwikkeling en Economie
1. INLEIDING
1.1 Aanleiding
Veranderingen in de bebouwde omgeving gaan vaak heel geleidelijk. Ze zijn het resultaat van een optelling van bouwinitiatieven, variërend van kleinere bouwwerken zoals een schutting, aanbouw of dakkapel, tot een compleet nieuwe woning. Deze optelling valt niet altijd positief uit. Het is immers lastig de invloed van iedere bouwaanvraag op de omgeving goed te beoordelen en naar de burger inzichtelijk te maken waarom deze beoordeling zo uitvalt. Het welstandsbeleid moet de handvaten bieden om deze beoordeling te kunnen maken. Bovendien geeft het de burgers vooraf inzicht in de criteria waaraan hun bouwaanvraag getoetst zal worden. Zij kunnen deze gebruiken als handvat bij het opstellen van hun bouwplan waardoor dit eerder aan de eisen van welstand kan voldoen zodat de vergunningprocedure soepeler kan worden doorlopen.
Een belangrijke aanleiding voor het opstellen van welstandsbeleid vormen de wijzigingen van de Woningwet (januari 2003). Deze wijzigingen hebben tot doel de welstandsbeoordeling met kortere procedures transparanter en objectiever te maken. Het beleid moet lokaal ontwikkeld worden en bestuurlijk door de gemeenteraad worden vastgesteld. De wet eist voortaan dat gemeenten welstandsbeleid ontwikkelen om een welstandstoets te kunnen blijven uitvoeren. Met deze welstandsnota voldoet de gemeente Albrandswaard aan deze eis.
1.2 Het doel en de reikwijdte van deze welstandsnota
Voordat iemand mag gaan bouwen, zal hij in beginsel een vergunning moeten aanvragen bij de gemeente. De bouwaanvraag wordt, naast welstand, o.a. getoetst aan het Bouwbesluit en aan het bestemmingsplan.
De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. Het legt voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld een dorpskern, een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. Afhankelijk van de waarde van het gebied en de ambitie van de gemeente kan het kader meer of minder streng zijn. In bijvoorbeeld een historisch dorpscentrum zal de prioriteit van welstand anders liggen dan op een regulier bedrijventerrein.
Welstandstoezicht is dus niet simpelweg een vraag van mooi of niet mooi, maar een beoordeling van de kwaliteit van het bouwwerk aan de hand van duidelijk benoemde criteria. Welstand is niet zozeer een waardeoordeel over een bouwwerk op zich, maar vooral een beoordeling van de bijdrage van dat bouwwerk aan de ruimtelijke kwaliteit op die specifieke locatie.
De gemeentelijke welstandsnota richt zich op de lokale karakteristieken in bestaande stedelijke gebieden en het buitengebied.
De gemeentelijke welstandsnota, als onderdeel van het welstandsbeleid van de gemeente Albrandswaard richt zich op de relatief kleine bouwopgaven van één of enkele gebouwen, uitbreidingen van bestaande bebouwing en veel voorkomende kleine bouwwerken in bestaand stedelijk en buitengebied (beheergebieden). Voor grootschalige ontwikkelingen of voor herontwikkelingen in bijvoorbeeld dorpscentra, vormen andere documenten, zoals beeldkwaliteitsplannen, de welstandsnota.
1.3 Leeswijzer
De 'Welstandsnota Albrandswaard’ bestaat naast het voorwoord uit drie delen: een toelichting op het welstandsbeleid in de gemeente Albrandswaard (deel A), criteria (deel B) en welstandsprocedures (deel C).
Het benoemen, inventariseren en analyseren van de lokale ruimtelijke karakteristieken en vervolgens het vertalen van deze karakteristieken naar deelgebieden en thema's, vormen de basis voor een gebiedsgericht welstandsbeleid. In deel A het welstandsbeleid wordt toegelicht hoe de gemeente Albrandswaard vorm geeft aan haar gebiedsgerichte welstandsbeleid. Op basis van een waardering van de verschillende kwaliteiten per gebied wordt een welstandsniveau toegekend. Dit welstandsniveau betekent een bepaalde manier van toetsen.
Deel B criteria gaat in op de bij een bouwaanvraag te hanteren criteria. In dit deel zijn de geldende 'algemene', 'gebiedsgerichte' en 'sneltoets'criteria aangegeven. De algemene criteria van welstand bestaan uit een 'algemene richtlijn voor goede architectuur'. De gebiedsgerichte criteria zijn op basis van een gebiedsinventarisatie en een gebiedsanalyse opgesteld en gelden voor een specifiek deelgebied van de gemeente. De sneltoetscriteria bestaan uit een algemene en een gebiedsgerichte set van criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken. Het lezen van dit hoofdstuk geeft inzicht in de eisen die aan een bouwplan in een bepaald gebied worden gesteld. Bij de uitoefening van een gebiedsgericht welstandsbeleid zijn vervolgens procedureregels nodig. Het welstandsinstrumentarium is vervat in procedures. Deze zijn te vinden in deel C procedures van deze nota. Dit gedeelte gaat in op de organisatie van welstandstoezicht. Daarnaast is een gebruikshandleiding voor het toetsen van bouwaanvragen opgenomen.
2. WELSTANDSBELEID
2.1 Inleiding
In Nederland staat de vormgeving van het collectieve beeld boven dat van het individuele object. Stedenbouw en architectuur zijn in Nederland van oudsher meer aan de orde van de dag. Al sinds de 15de eeuw bestaan er in Nederland lokale verplichtingen ten aanzien van vormgevingsaspecten. In 1962 werd de verplichting voor gemeenten om een welstandscommissie te benoemen opgenomen in de Woningwet. De laatste jaren is er kritiek geuit op de werkwijze en geringe mate van democratische controle op de welstandscommissie. In de nieuwe Woningwet, die sinds 1 januari 2003 van kracht is, worden veranderingen doorgevoerd om het welstandsbeleid toegankelijker en toetsbaarder te maken. Onderhavige welstandsnota en het hierin uitgedragen beleid geeft invulling aan het toegankelijk en toetsbaarder maken van het welstandsbeleid.
In dit hoofdstuk is het nieuwe welstandsbeleid van de gemeente Albrandswaard uitgewerkt. Dit welstandsbeleid is in hoofdlijnen gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. Aan welke criteria een bouwplan getoetst wordt, hangt af van het soort gebied en het type bouwwerk. In het welstandsbeleid van de gemeente Albrandswaard worden de volgende typen criteria onderscheiden:
•Algemene welstands-criteria
1De teksten van de Algemene welstandscriteria zijn gebaseerd op de tekst van de heer Tj. Dijkstra, voormalig rijksbouwmeester, ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’, 1985.
: deze liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan iedere bouwplanbeoordeling. Ze fungeren daarnaast als 'vangnet' wanneer een bouwplan gemotiveerd afwijkt van de gebiedsgerichte criteria.
•Gebiedsgerichte criteria: specifieke aan bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. Ze gelden alleen voor reguliere bouwvergunningplichtige bouwwerken (5).
•Sneltoetscriteria (algemeen): algemeen geldende, met name kwantitatieve criteria voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken en regulier bouwvergunningplichtige aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen (zowel vrijstaand als nietvrijstaand), overkappingen en dakkapellen. Gelden voor zowel solitaire aanvragen als voor onderdelen van een totaal bouwplan (7).
•Gebiedsgerichte sneltoetscriteria: gebiedsgerichte criteria voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken en regulier bouwvergunningplichtige aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen (zowel vrijstaand als nietvrijstaand), overkappingen en dakkapellen: specifieke, aan elementen van bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. Gelden voor zowel solitaire aanvragen als voor onderdelen van een totaalplan (5).
•Thematische criteria: gelden aanvullend op de gebiedsgerichte (sneltoets)criteria voor specifieke bouwwerken zoals monumenten, historische boerderijen en masten of specifieke plekken zoals stads en dorpsranden, entrees en rivierfronten (6).
Het is wenselijk dat een burger met een bouwvoornemen contact opneemt met de gemeente Albrandswaard. De initiatiefnemer van een te bouwen vergunningvrij bouwwerk kan dit vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand, om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met een aanschrijving omdat het bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. De (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria kunnen dan dienen als adviserend toetsingskader.
In onderstaand schema is aangegeven welke criteria van toepassing zijn op welk type bouwvergunning. De nummers verwijzen naar de hoofdstukken waarin de betreffende criteria aan de orde komen.
In de criteria worden soms (kwantitatieve) maatvoeringen genoemd. Deze zijn gebaseerd op kwalitatieve kenmerken van het gebied. Daarbij is geen aansluiting gezocht bij de maatvoering uit het Besluit Bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (BBlb) en maatvoering uit het geldende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan staat in ‘rangorde’ boven de welstandsnota en is dus bepalend. In de criteria wordt bijvoorbeeld gesproken over een minimale afstand van met het hoofdgebouw verbonden bijgebouwen, zoals aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen tot de voorgevel. Deze bouwwerken zijn in sommige gevallen vergunningsvrij, soms lichtvergunningplichtig en soms regulier vergunningplichtig. In de criteria is een algemene maat opgenomen en is geen aansluiting gezocht bij het BBlb. Het is gezien de gedetailleerdheid van de regeling uit het BBlb niet gewenst om deze als maatstaf te nemen. Dan zouden de criteria te ingewikkeld en niet meer leesbaar worden. Dit betekent, dat in sommige gevallen criteria zijn opgenomen voor bouwwerken, die vergunningsvrij zijn. Dit zal geen probleem zijn. Hierboven is reeds aangegeven, dat de toetsende ambtenaar altijd eerst moet onderzoeken of een bouwplan vergunningsvrij is. Is dat het geval dan zal hij niet meer toekomen aan de criteria uit de welstandsnota.
2.2 Gebiedsgericht welstandsbeleid
2.2.1 Inleiding
Gebiedsgericht welstandsbeleid is vervat in gebiedsgerichte criteria voor regulier vergunningplichtige bouwwerken en in gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor licht-vergunningplichtigebouwwerken.
Een middel om het welstandsbeleid transparanter te maken is het gebiedsgericht maken van het welstandsbeleid. Met een gebiedsgericht welstandsbeleid wil de gemeente Albrandswaard ervoor zorgen dat nieuwe gebouwen en bouwwerken passen bij de karakteristiek en kwaliteit van een gebied. Binnen het grondgebied van de gemeente Albrandswaard komen verschillende soorten gebieden voor, elk met hun eigen kwaliteit en karakteristiek.
Het centrum van Rhoon bijvoorbeeld, is anders dan een polderlint in het buitengebied of een dijklint in het dorpsgebied van Poortugaal. Hoe mensen de verschillende karakteristieken en kenmerken waarderen, verschilt van persoon tot persoon. In de gemeentelijke welstandsnota wordt deze waardering vastgelegd.
Ruimtelijke identiteit
De identiteit van een gebied, waarmee dat gebied zich onderscheidt van andere, is een door de jaren heen gegroeid gegeven. Aandacht voor dit gegeven, gestoeld op cultuurhistorisch besef en een beleving van en waardering voor de eigen historische, stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten, eigen karakteristieken en eigen eigenaardigheden, is belangrijk. Ingrepen in de gebouwde omgeving (bouwplannen) hebben invloed op die omgeving. Het is bij bouwopgaven van belang deze ruimtelijke identiteit van een gebied te behouden en waar mogelijk zelfs te versterken. Het is de bedoeling om geïnspireerd te worden door de bestaande omgeving en daar gebruik van te maken in het creatieve ontwerpproces.
Ensembles
De ruimtelijke kwaliteit van de bebouwde omgeving wordt door verschillende factoren beïnvloed. Ze kan een puur esthetische waarde bezitten, een verwijzing geven naar de geschiedkundige of oudheidkundige betekenis van een gebied, kenmerkend zijn voor een bepaalde architectonische stijl of juist een sterk geheel, een goed ensemble vormen. Bij een ensemble vormen de verschillende onderdelen zoals huizen, woongebieden, straten, pleinen, plantsoenen en parkeerterreinen een harmonisch geheel. De ruimtelijke kwaliteit is waardevol indien de mens deze factoren ook als zodanig herkent en daar waarde aan hecht. Dit waardeoordeel is sterk cultuurhistorisch en educatief bepaald. Iets is niet waardevol, maar men vindt iets waardevol.
Zo werden bijvoorbeeld gotische kerken in de ‘moderne’ renaissance geassocieerd met het barbaarse, platvloerse middeleeuwse leven. In de ‘romantische’ 19e eeuw is men de gotiek opnieuw gaan waarderen en zijn de oude vervallen gotische kerken opgeknapt en vaak verder afgebouwd.
Samenhang
Als er sprake is van veel samenhang tussen de cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur zal een, van de karakteristiek afwijkend, nieuwbouwplan eerder als minder passend ervaren worden dan in gebieden met weinig samenhang tussen deze kenmerken. Wordt de samenhang tussen de kenmerken ook hoog gewaardeerd, zoals in een oude dorpskern, dan zal men een afwijkend gebouw eerder als een verstoring van deze kwaliteit beleven. Andere gebieden waar de samenhang in kenmerken ontbreekt zijn minder gevoelig. Daar hoeven minder eisen te worden gesteld aan nieuwe bouwplannen.
De gevoeligheid van een gebied voor nieuwe bouwplannen is dus afhankelijk van de samenhang tussen de cultuurhistorie, de stedenbouw en de architectuur. Deze samenhang wordt bepaald door een aantal kenmerken van het gebied. Deze kenmerken zijn:
•Hoe de verschillende gebouwen in een gebied zijn gesitueerd ten opzichte van de straat, de verkaveling en elkaar;
•Welke bouwvormen voorkomen in dat gebied (grote of kleine massa's, één of meerdere verdiepingen, met of zonder kap);
•Of de gevels een karakteristieke opbouw hebben (staande of liggende ramen, een afzonderlijke onderpui e.d.);
•Of er sprake is van kenmerkend kleur en materiaalgebruik en van specifieke details.
2.2.2 Gebiedsanalyse
Kenmerkende gebieden
Gebiedsgericht betekent maatwerk voor een specifieke situatie. De gemeente Albrandswaard maakt deel uit van de regio IJsselmonde. Dit gebied heeft vanuit zijn ontstaansgeschiedenis een eenduidige ruimtelijke opbouw met een duidelijke begrenzing. Binnen de regio IJsselmonde bestaat een duidelijke samenhangende karakteristiek en kwaliteit. Op basis van de samenhang tussen karakteristieken van (cultuur)historie, stedenbouw en architectuur zoals die in de bebouwing herkenbaar is, is voor Albrandswaard een gebiedstypologiekaart met te onderscheiden deelgebieden gemaakt. Deze deelgebieden worden behandeld in Deel B, hoofdstuk 5.
Om tot kenmerkende gebieden te komen, is een bepaalde methodiek gehanteerd om tot een logische indeling van gebiedstypen te komen. In het volgende schema is de wijze van kijken nader toegelicht.
Functioneel
Veel ruimtelijke vraagstukken hebben een directe relatie met de functie van bepaalde gebieden. Zo staan op bedrijventerreinen andere gebouwen dan in een woonwijk en speelt er in de centrumgebieden en linten een andere dynamiek dan in het buitengebied. In centrumgebieden zal veelvuldig een aanvraag tot het aanbrengen van winkelpuien ingediend worden, terwijl in het buitengebied de opgave eerder ligt in het aan en bijbouwen van of aan agrarische bedrijfsgebouwen. Een eerste hoofdindeling naar gebiedstypen is gemaakt naar de functionele verschijningsvorm van een gebied (laag 1 van volgend schema). De volgende hoofdgebiedstypen worden onderscheiden:
•Centrumgebieden (H, W en Agebieden);
•Gemengde gebieden (Hgebieden);
•Woongebieden (W en Agebieden);
•Werkgebieden en grootschalige publieke voorzieningen (Bgebieden);
•Groengebieden en buitengebied (Ggebieden).
Ontstaanswijze
In de beleving van de gebouwde wereld wordt in de Nederlandse samenleving tegenwoordig veel waarde gehecht aan de cultuurhistorische betekenis, de relatie tussen de historie van de plek en zijn huidige verschijningsvorm (de ontstaanswijze). Daarom zijn bebouwde gebieden, waar de relatie met de cultuurhistorie nog in de bebouwing zichtbaar is, binnen de gemeente ingedeeld naar hun cultuurhistorische relatie: dijklinten en polderlinten (Hgebieden). Ook groengebieden kennen soms nog een duidelijke relatie met de cultuurhistorie, zoals het geval is bij het kasteel van Rhoon (G1gebied).
Gebieden die planmatig zijn aangelegd, zoals de naoorlogse woonwijken, planmatig aangelegde woongebieden (W en Agebieden), de reguliere bedrijventerreinen (B2 t/m B4) en sport en recreatiecomplexen (G2 t/m G5) kennen een minder duidelijke en minder directe relatie met de cultuurhistorie.
Ook de verschillende landschappen in het buitengebied kennen ieder hun eigen karakteristiek, ontstaan door een wisselwerking tussen mens en natuur. Het buitengebied van Albrandswaard is ingedeeld naar landschapstype (G6gebieden). Het landelijk gebied is daarom onderverdeeld naar de kenmerkende landschapseenheden: jonge zeekleipolder en buitendijkse gronden
Ruimtelijke verschijningsvorm
Binnen de hoofdindeling naar functionele verschijningsvorm en ontstaanswijze is een nader onderscheid gemaakt op basis van kenmerkende ruimtelijke verschijningsvormen. Bij de kernen is dit onderscheid gebaseerd op de specifieke structuur zoals dijklinten en polderlinten (H4.1 en H6.1gebieden), bij de linten op de mate van verdichting in de vorm van dorpslinten (Hx/1gebieden) en uitlopers/buurtschappen (Hx.2gebieden). De specifieke structuur is in de gemeente Albrandswaard voor de kernen Rhoon en Poortugaal niet hetzelfde. Daarom zijn de dorpskernen in de gebiedsbeschrijving apart beschreven en beoordeeld. Er gelden per dorpscentrum dan ook afzonderlijke gebiedsgerichte criteria. De losbijgevoegde kaart geeft de typologieën voor Albrandswaard weer.
Ook de planmatig ontwikkelde gemengde gebieden, woon en groengebieden, kennen een gedifferentieerde ruimtelijke verschijningsvorm. De woongebieden en gemengde gebieden zijn allereerst ingedeeld naar hoofdverschijningsvorm: seriematig (W1gebieden) of individueel (W2gebieden), en vervolgens naar stedenbouwkundige hoofdstromingen:
•Vooroorlogse woongebieden en gemengde gebieden gesloten bouwblok, tuindorpen (W1.1gebieden);
•Woongebieden en gemengde gebieden in stroken en blokverkaveling (W1.2gebieden);
•Woonerven (W1.3gebieden);
•Woongebieden en gemengde gebieden eind 20e eeuw (W1.4gebieden).
•Werkgebieden en gebieden met grootschalige publieke voorzieningen zijn als volgt naar ruimtelijke verschijningsvorm ingedeeld:
•Bedrijventerreinen (B3gebieden).
Voor groengebieden is de volgende indeling aangehouden:
•Parken en begraafplaatsen (G2gebieden);
•Sportterreinen (G3gebieden);
•Grootschalige bebouwingscomplexen in het groen en instituten (G4gebieden);
•Recreatieve havengebieden en overige (extensieve) recreatiegebieden (G5gebieden).
Architectuurkenmerken
Vanaf de periode 1870 – 1900 is de uitbreiding van de gebouwde omgeving vooral planmatig aangestuurd. Bij deze planmatige ontwikkelingen van woon en werkgebieden hebben kenmerkende stijloverwegingen in meer of mindere mate hun stempel gedrukt op de kwaliteit van de omgeving. Gebieden met een herkenbare samenhangende bouwstijl worden daarbij hoog gewaardeerd. In de eerste helft van de 20e eeuw zijn in Albrandswaard geen dusdanig sterke woningbouwensembles gerealiseerd in de traditionele stedenbouw van (gesloten) bouwblokken dat deze een aparte typologie of waardering behoeven.
In woongebieden die in kleine stappen zijn ontwikkeld en vaak ook in de meer recente woonwijken is de ontwikkeling meer overgelaten aan de markt. Individuele woonwensen en aversie tegen seriematig bouwen en het zoeken naar verscheidenheid, hebben geleid tot wijken met weinig samenhang tussen stedenbouw en architectuur (W1.x en W2gebieden).
2.2.3 Drie niveaus van welstand
Waardering
De typologie ordent en beschrijft de kenmerken en karakteristieken van de verschillende gebieden. De waarde die hier aan wordt gehecht bepaalt het niveau van welstandstoezicht. Deze wordt gebaseerd op:
•de ruimtelijke karakteristiek en samenhang;
•de cultuurhistorische kwaliteiten;
•de architectonische kwaliteiten;
•de dynamiek van de bouwopgave;
•en de wijze waarop bovenstaande zaken binnen de gemeente worden beleefd en gewaardeerd.
De keuze voor een bepaald niveau van welstand is een gemeentelijke. Deze is gestoeld op een afweging van bovenstaande kwaliteiten en de prioriteit die het gemeentebestuur hier aan heeft gegeven. In zijn algemeenheid geldt daarbij dat naarmate de waardering voor een bepaald gebied, gecombineerd met een bepaalde samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, hoger is, een hoger niveau van welstand gehanteerd wordt. De gemeente Albrandswaard geeft daarbinnen prioriteiten aan.
Niveaus van welstand
De welstandscommissie handelt bij haar toets conform de inhoud van de welstandcriteria, zoals in deze nota opgenomen. Zij houdt bij haar toets rekening met de verschillen in de niveaus van welstand. Bieden de criteria voor de welstandstoets aanknopingspunten voor het ontwerp, de niveaus van welstand geven een indicatie voor de mate van ontwerpvrijheid. De niveaus van welstand bepalen in hoofdlijnen de mate van gedetailleerdheid van de gebiedsgerichte criteria. De welstandscommissie kan in haar welstandsadvies geen zwaardere criteria hanteren dan vastgelegd in deze nota.
Albrandswaard onderscheidt drie niveaus van welstandstoezicht:
•BASIS niveau van welstand;
•PLUS niveau van welstand;
•BIJZONDER niveau van welstand.
De wet biedt ook de mogelijkheid welstandsvrije gebieden te onderscheiden. In Albrandswaard zijn geen welstandsvrije gebieden opgenomen, omdat deze welstandsnota gericht is op behoud van de kwaliteit van de bestaande ruimtelijke structuren, waarbij altijd sprake is van een bepaalde basiskwaliteit. Albrandswaard vindt het uit oogpunt van rechtsbescherming van burgers niet verantwoord voor bestaande gebieden geen enkele welstandstoets toe te passen. Bij nieuwe ontwikkelingen zal de gemeente steeds afwegen of daarin de mogelijkheid van welstandsvrij bouwen kan worden opgenomen.
Oranje schema
Nog invoegen
De indeling in BASIS, PLUS en BIJZONDER niveau van welstand is vastgelegd op de welstandsbeleidkaart. Met de driedeling BASIS, PLUS en BIJZONDER niveau van welstand verwacht de gemeente Albrandswaard gebiedsgericht de juiste accenten te kunnen leggen voor welstand. Een basisniveau in het ene gebiedstype (zoals een werkgebied) omvat uiteraard andere criteria dan een basisniveau in een ander gebiedstype (zoals een woongebied).
Aspecten van bebouwing
De drie welstandsniveaus bepalen de mate van sturing van het welstandstoezicht. De concrete beoordeling van welstand van gebouwen en bouwwerken vindt op alle niveaus plaats vanuit vier soorten aspecten van bebouwing:
•de situering van het bouwwerk;
•de hoofdvormen van het bouwwerk;
•de gevelaanzichten van het bouwwerk;
•de materialisatie en detaillering van het bouwwerk.
In algemene zin kan worden gesteld dat deze kenmerken op het BASIS niveau van welstand op hoofdlijnen worden beoordeeld, bij het PLUS niveau van welstand tevens op hun specifieke samenstellende delen en bij het BIJZONDER niveau van welstand hiervoor de wijze van detaillering wordt toegevoegd.
Strijdigheid met de gerichte criteria
De gebiedsgerichte criteria zijn algemeen geldend voor de regulier vergunningplichtige bouwwerken in een bepaald gebied (m.u.v. de grotere aan en bijgebouwen, etc. zie ook hofdstuk 5, pag. 2). Er zijn echter uitzonderingssituaties denkbaar waar deze algemeen geldende gebiedsgerichte criteria ontoereikend, onbruikbaar of niet van toepassing zijn. In onderstaand kader zijn deze gevallen aangegeven en worden bepaalde toepassingsregels gehanteerd. Deze toepassingsregels zijn algemeen geldend in alle gebiedstypen. De toepassingsregels zijn dan ook onder elke set van gebiedsgerichte criteria weergegeven.
In bijzondere situaties wanneer een bouwplan afwijkt van de gebiedsgerichte (sneltoets)criteria, maar door schoonheid, bijzonderheid, architectuur of structuur wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, zal worden getoetst aan de 'Algemene Criteria'. De initiatiefnemer, ontwerper of architect zal in dit geval gemotiveerd moeten aantonen waarom het plan op die plek wél architectonischstedenbouwkundig verantwoord is.
De commissie behoudt haar eigen verantwoordelijkheid. De commissie geeft advies aan B&W en zij zal de argumenten van de initiatiefnemer betrekken bij haar advisering aan B&W.
Als een plan zowel in strijd is met de gebiedsgerichte als de algemene criteria, maar als B&W het plan toch aanvaardbaar achten, dan geldt de inherente afwijkingsbevoegdheid. Criteria zijn immers beleidsregels (art. 12a lid Woningwet 2003). Hiervan kan naar zijn aard in bijzondere gevallen en mits gemotiveerd afgeweken worden (zie art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht).
Daarnaast zijn burgemeester en wethouders op grond van artikel 44, lid 1d, Woningwet bevoegd gemotiveerd af te wijken van een welstandsadvies, indien zwaarwegende (economische of maatschappelijke) belangen dit wenselijk maken. Het college van burgemeester en wethouders zal uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen.
Tenslotte kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de criteria, indien zij dienen te voldoen aan andere wet en regelgeving (in het kader van bijvoorbeeld brandveiligheid of het milieu). Uitgangspunt is dat noodzakelijke maatregelen in het kader van bijvoorbeeld de brandveiligheid zodanig verwerkt worden in het bouwplan, dat voldaan wordt aan de welstands-criteria. Alleen als aangetoond wordt dat dit niet mogelijk is, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de criteria. Wel zal in goed overleg gezocht moeten worden naar een zodanige inpassing van het bouwwerk in het bouwplan, dat zoveel mogelijk recht gedaan wordt aan redelijke eisen van welstand.
Motivering keuze welstandsniveaus Albrandswaard
In deel B zijn bij de gebiedscriteria per type gebied de specifieke kenmerken beschreven die voor dat gebied bij de beoordeling relevant zijn.
In zijn algemeenheid geldt dat naar mate de waardering voor een bepaald gebied, samengaand met een bepaalde samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, hoger is, een hoger niveau van welstand gehanteerd wordt.
De gemeente Albrandswaard heeft voor vier gebieden het BIJZONDER niveau van welstand bepaald. Het betreft hier de kern van Poortugaal, de kern van Rhoon met daarin meegenomen de Rijsdijk tot aan de Rivierweg, de omgeving van kasteel Rhoon (met een deel van de Dorpsdijk) en een deel van de Albrandswaardsedijk (voormalige woningen behorend tot het Delta ziekenhuis). Deze gebieden hebben een belangrijke betekenis gehad in de historie van beide kernen. Ook nu hebben deze gebieden nog een belangrijke betekenis als visitekaartje voor de gemeente Albrandswaard. In deze gebieden zijn ook veelal gemeentelijke en rijksmonumenten te vinden. De gemeente Albrandswaard is van mening dat een bepaalde mate van ‘conservatie’ in deze gebieden gerechtvaardigd is. De gemeente wenst het beeld zo veel mogelijk te behouden en wil daarom een grote mate van detaillering in de toetsingscriteria.
Een groot deel van de gemeentelijke polderlinten en dijklinten krijgen een PLUS niveau van welstand. Deze linten hebben sterk de historie en ruimtelijke groei van de gemeente Albrandswaard bepaald. Ook zijn in het lint vele monumenten terug te vinden. Door recente bouwopgaven is de karakteristiek van delen van sommige polder en dijklinten echter verloren gegaan. Omdat de gemeente Albrandswaard een gebiedsgericht welstandsbeleid voorstaat (in plaats van een objectgericht beleid) is besloten deze linten een plus niveau te geven. Met dit niveau kan de huidige karakteristiek gewaarborgd blijven.
Tot slot zijn er aan groot aantal gebieden binnen het gemeentelijk grondgebied aangewezen als gebied waar een BASIS niveau van welstand gaat gelden. Deze gebieden, die op het gebied van welstand iets minder gevoelig zijn, krijgen door het toekennen van dit niveau een bescherming die ervoor zorgt dat er in ieder geval gebouwd wordt volgens redelijke eisen van welstand. De criteria voor deze gebieden zijn echter vrijer dan voor de overige gebieden. Het betreft hier de grotere, planmatig aangelegde woongebieden, de groengebieden, de bedrijventerreinen en het buitengebied.
2.3 Welstandsbeleid voor kleine bouwplannen
Eén van de uitgangspunten bij het bepalen of een bouwwerk vergunningsvrij dan wel lichtvergunningplichtig is, is de zogenaamde voor en achterkant benadering. Deze benadering houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant of aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek is het bouwen aan de voorkant in het algemeen kwetsbaarder dan het bouwen aan de achterkant. Dit is immers bepalend voor de beleving van de openbare ruimte. Voor een toelichting op de voor en achterkantbenadering wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit Bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.
2.4 Thematisch welstandsbeleid
Voor specifieke bouwwerken of bouwwerken op specifieke locaties zijn aanvullende criteria opgesteld. Per thema is aansluiting gezocht bij het ruimtelijke kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen.
Naast het benoemen en onderscheiden van verschillende deelgebieden kent elke gemeente en regio ook haar specifieke gebouwen, gebouwtypen en bouwwerken op specifieke locaties. De gemeente Albrandswaard benoemt gebouwtypen en bouwwerken die zo gebiedseigen zijn, een specifieke functie hebben of als object op zich beeldbepalend zijn, dat daarvoor afzonderlijke criteria kunnen worden opgesteld. Daarnaast zijn er bepaalde plekken, zoals een dorpsrand of een park die bijzondere aandacht vragen. Deze thematische bebouwingstypen zijn uitgewerkt in Deel B Hoofdstuk 6 van deze nota.
Voor specifieke gebouwtypen en bouwwerken geldt dat de criteria altijd in samenhang gezien moeten worden met de gebiedsgerichte welstands-criteria waarin het bouwwerk wordt geplaatst.
3. INKADERING VAN HET WELSTANDSBELEID
3.1 Inleiding
De essentie van het nieuwe welstandsbeleid is de gebiedsgerichte benadering. Op elk beleidsniveau zijn gebiedsspecifieke kenmerken te benoemen. Deze benadering stelt de gemeente in staat om de samenhang tussen verschillende beleidsvelden inzichtelijk te maken en daarmee de samenhang tussen het welstandsbeleid en ander beleid en andersom.
De kwalitatieve kenmerken van een gebied zijn in het kader van het welstandsbeleid bepalend voor de samenstelling van gebiedsgerichte criteria. De gebiedsgerichte benadering levert een heldere beschrijving en beeld op van de specifieke karakteristieken van een deelgebied.
Voor het welstandsbeleid richt deze benadering zich met name op de specifieke kenmerken van een gebied voor de bebouwing, maar in breder verband zijn uit deze benadering eveneens die kenmerken te distilleren die belangrijk zijn voor ander gemeentelijk ruimtelijk beleid. Deze benadering biedt kansen voor een brede basis voor gebiedsgericht beleid op alle ruimtelijke beleidsvelden.
In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de relatie van welstand met een aantal andere ruimtelijke beleidsvelden.
3.2 Welstand en ruimtelijke kwaliteit in groter verband
Het handhaven en liefst versterken van de ruimtelijke kwaliteit is een belangrijk uitgangspunt in het ruimtelijk beleid. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid betekent: aandacht schenken aan cultuurhistorie en ruimtelijke identiteit, het creëren van een aantrekkelijke omgeving met ruimtelijke diversiteit in landschap, stedenbouw en architectuur en het verantwoord omgaan met natuur en ecologische waarden.
Welstand is slechts één van de beleidstakken die zich bezighoudt met het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het welstandsbeleid staat niet op zich. Het is deels verankerd in en deels gebaseerd op beleidslijnen uit andere beleidsvelden. Vanuit de stedenbouw en architectuur zijn geen concrete beleidskaders opgesteld waarop het welstandsbeleid is gebaseerd; wel bestaat er een duidelijke visie op de benutting van de ruimte (o.a. de in ontwikkeling zijnde Nota Ruimte (of Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening) en zijn er algemene architectonische aandachtspunten zoals vervat in de 'Architectuurnota'. Er bestaan nauwelijks beleidsstukken waar de relatie tussen natuurbeleid en welstand wordt uitgewerkt en geoperationaliseerd. Wel wordt met name in bestemmingsplannen, in zekere zin de kwetsbaarheid van met name het buitengebied voor bouwen in het algemeen aangegeven. De landschapstypologie zoals te destilleren uit de geomorfologische kaart vormt de basis voor de indeling naar gebiedsspecifieke (historische) structuren.
3.3 Welstand en het bestemmingsplan
Het op te stellen welstandsbeleid moet een kader bieden voor de toetsing van een bouwaanvraag aan redelijke eisen van welstand. In deze nota worden criteria benoemd die er aan bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De criteria worden onder andere geformuleerd vanuit een visie op het gebied en vanuit een beeld van de aanwezige waarden. Aspecten die aan de orde komen betreffen zowel nietruimtelijk relevante aspecten zoals kleur en materiaalgebruik, als ruimtelijk relevante aspecten zoals hoogte, omvang en situering van de gebouwen. Er is dus een nauwe relatie met het bestemmingsplan. De ruimtelijk relevante aspecten kunnen –wanneer wenselijk en noodzakelijk vertaald worden in het bestemmingsplan. Voor nietruimtelijk relevante aspecten is een vertaling in het bestemmingsplan niet mogelijk. Welstand kan kwalitatieve eisen, bijvoorbeeld het materiaalgebruik ten opzichte van de naastgelegen woning, aan een gebouw stellen terwijl het bestemmingsplan alleen kwantitatieve (ruimtelijk relevante) eisen stelt, bijvoorbeeld maximale nok en goothoogte. Het welstandsbeleid en bestemmingsplan liggen dus in elkaars verlengde en vullen elkaar aan.
Een bouwaanvraag wordt zowel getoetst aan redelijke eisen van welstand als aan de bouwvoorschriften zoals opgenomen in het bestemmingsplan. Wanneer er sprake is van een verschil tussen de inhoud van een bestemmingsplan en een welstandsnota blijven bij toetsing van een bouwaanvraag de welstands-criteria buiten beschouwing. Het bestemmingsplan heeft hier formeel juridisch ‘het laatste woord’. Het is dus van belang om de inhoud van een bestemmingsplan en de inhoud van een welstandsnota op elkaar af te stemmen. Vanuit een visie op het gebied en de aanwezige waarden, moet bepaald worden welke criteria in welk document opgenomen worden en op welke wijze.
Veel vigerende bestemmingsplannen zijn opgesteld vanuit een samenhangend ruimtelijk kwaliteitsbeleid voor de gehele gemeente. De gemeente Albrandswaard heeft er voor gekozen eerst een samenhangend welstandsbeleid te formuleren. Vanuit dit beleid kunnen kaders worden geformuleerd voor de toekomstige herzieningen van bestemmingsplannen, zodat met de tijd een consistent samenhangend ruimtelijk beleid zal worden gevoerd.
Bij het opstellen van de criteria is dus geen rekening gehouden met de vigerende bestemmingsplannen. Gekozen is om op basis van een kwalitatieve beschrijving van de gemeente, gebiedsgerichte criteria op te stellen. In veel gevallen is het niet zinvol bestaande voorschriften uit het bestemmingsplan als uitgangspunt te nemen voor het welstandsbeleid, omdat deze meestal niet geformuleerd zijn met het oog op ‘redelijke eisen van welstand’. Bovendien gelden er binnen de gemeente vele bestemmingsplannen, waardoor het zeer lastig wordt om met al deze verschillende bestemmingsplannen rekening te houden. De consequentie van deze aanpak is, dat er strijdigheid kan ontstaan tussen het vigerende bestemmingsplan en de welstandsnota. Zo kan een bestemmingsplan ruimere bebouwingsmogelijkheden bieden dan de criteria uit de welstandsnota. Indien zich dit voordoet zullen (in de meeste gevallen) de (ruimtelijk relevante) criteria uit de welstandsnota buiten toepassing blijven totdat het bestemmingsplan is herzien.
3.4 Welstand en de Structuurvisie op Hoofdlijnen
Een belangrijk uitgangspunt van de structuurvisie is ‘contextueel bouwen’. Afhankelijk van de locatie, het gebiedstype waarin de betreffende locatie gelegen is en het strategisch belang van een locatie gezien de wenselijke ontwikkelingsrichting van de gemeente als geheel, is een bepaalde ontwikkeling wel of niet wenselijk. Ook hier ligt dus een belangrijke relatie met het welstandsbeleid, waar gebieds- en omgevingskenmerken centraal staan. De welstandsnota is één van de instrumenten om de doelstellingen van de Structuurvisie op Hoofdlijnen te bereiken.
3.5 Welstand en het beeldkwaliteitsplan
De welstandsnota richt zich primair op de min of meer reguliere en/of incidentele bouwopgave in bestaande stedelijke gebieden en het buitengebied. Voor gebieden met een planmatige functieverandering, zoals nieuwe woon en werkgebieden en herontwikkelingsgebieden (stads en dorpscentra, wijkontwikkelingsgebieden) kan voor de sturing van welstand ook een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld.
Deze beeldkwaliteitsplannen kennen in de meeste gevallen niet alleen criteria van welstand waaraan bouwwerken dienen te voldoen, maar gaan bijvoorbeeld ook in op de vormgeving van het openbare gebied.
Dat deel van het beeldkwaliteitsplan, dat betrekking heeft op het bouwen, kan als basis dienen voor welstandstoetsing bij bouwaanvragen.
Indien er reeds een beeldkwalteitsplan voor een in ontwikkeling zijnd gebied bestaat voordat de welstandsnota wordt vastgesteld door de gemeenteraad dient dit plan tot onderdeel te worden gemaakt van de welstandsnota door in de welstandsnota hier expliciet naar te verwijzen. Wel dient het beeldkwaliteitsplan tot stand te zijn gekomen volgens de voorschriften, die de nieuwe Woningwet ten aanzien van de vaststelling en wijziging van de welstandsnota stelt (vaststelling door de gemeenteraad en inspraak conform de gemeentelijke inspraakverordening). Door in de welstandsnota naar het beeldkwaliteitsplan te verwijzen vormt dit plan juridisch een onderdeel van de welstandsnota.
Beeldkwaliteitsplannen zijn in principe bedoeld om specifieke ontwikkelingen te kunnen begeleiden. Als de ontwikkeling is afgerond ligt het dan ook in de rede om de criteria die gelden voor het betreffende gebied bij een wijziging van de welstandsnota op te nemen in de welstandsnota zelf. De verwijzing naar het beeldkwaliteitsplan kan dan vervallen.
De mogelijkheid bestaat om een beeldkwaliteitsplan vast te stellen in aanvulling op een vastgestelde welstandsnota; bijvoorbeeld als het betreffende beeldkwaliteitsplan een verdere concretisering van het beleid inhoudt dat reeds in de welstandsnota is verankerd. In dat geval is er sprake van een wijziging van de welstandsnota, bijvoorbeeld om ontwikkelingen in een straatwand te sturen en te stimuleren of aanvullende eisen voor een karakteristiek stukje centrumgebied op te stellen. Deze wijziging van de welstandsnota dient weer door de gemeenteraad te worden vastgesteld en de inspraakprocedure conform de gemeentelijke inspraakverordening dient te zijn gevolgd.
Behalve de toetsingscriteria omvat een beeldkwaliteitsplan bij voorkeur ook een toelichting waarin het onderliggende beleid kan worden verklaard. In deze toelichting wordt het gemeentebeleid voor het betreffende (ontwikkelings)gebied met betrekking tot beeldkwaliteit op hoofdlijnen samengevat. De toelichting vervult verder een belangrijke rol bij uitvoering van projecten, omdat initiatiefnemers bij het realiseringstraject kunnen refereren aan de voorbeelden en beleidslijnen. Maar net als bij een bestemmingsplan heeft de toelichting ook bij een beeldkwaliteitsplan slechts een beperkte status.
De gemeente Albrandswaard beschikt over een beeldkwaliteitplan voor het centrum van Rhoon en voor de gehele kern Poortugaal. De criteria uit het beeldkwaliteitplan centrum Rhoon zijn voor zover mogelijk verwerkt in de criteriaschema’s in hoofdstuk 5 van deze nota. Het beeldkwaliteitplan voor Poortugaal is overwegend analyserend van karakter. Bij de gebiedsbeschrijvingen is gekeken naar de analyses in dit stuk. Echter, de voorgestelde welstandstypologieën komen niet altijd overeen met de gekozen gebiedsindeling van het beeldkwaliteitplan. De relevante en voor deze nota bruikbare informatie is verwerkt.
3.6 Welstand en openbare ruimte en groenbeleid
De openbare ruimten en groengebieden worden binnen een gemeente over het algemeen begrensd door bebouwing. Over die bebouwing doet welstand een uitspraak om de kwaliteit van die bebouwing en vooral ook de samenhang tussen bebouwing binnen een gebied zoveel mogelijk te waarborgen.
De kwaliteit van die bebouwing heeft effect op de omgeving waarin dat gebouw staat. Een straat met kwalitatief hoogwaardige bebouwing draagt positief bij aan de beleving van die ruimte. Andersom draagt een straat met een kwalitatief hoogwaardige inrichting positief bij aan de beleving van de bebouwing langs die straat.
Omdat in het welstandsbeleid slechts in geringe mate kan worden ingegaan op de kwaliteiten van de openbare ruimte en groen, namelijk slechts op die aspecten waarvoor een bouwvergunning vereist is, is het dan ook de kunst dat bij de wens tot een integraal kwaliteitsbeleid er voldoende afstemming plaatsvindt tussen de welstandsnota met daarin vastgelegd de kwaliteiten voor de bebouwing en daarnaast beleidsnota's waarin de kwaliteiten vastgelegd zijn van de openbare ruimte en groen.
Deze afstemming kan op twee manieren plaatsvinden:
•Enerzijds door vanuit de gebiedsgerichte benadering, die gevolgd wordt in het kader van het opstellen van de welstandsnota, beleidskeuzen voor andere beleidsvelden vast te leggen. Dit vereist reeds van het begin af aan een integrale aanpak op gebiedsniveau.
•Anderzijds kan men bij het opstellen van inrichtingsplannen, waar voorheen de uitvoering en het beheer geschiedde door de gemeentelijke diensten, de welstandscommissie bij de opzet van deze plannen betrekken. Immers, straatmeubilair, verlichting, verharding en verkeersmiddelen maken integraal onderdeel uit van de beleving van ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.
De gemeente Albrandswaard beschikt over een zeer uitgebreid groenplan. Dit plan is in het kader van de welstandsnota gebruikt om te putten uit beschrijvingen van groene gebieden die relevant zijn voor de welstandstoets, met andere woorden: voor groene gebieden waar bouwwerken aan de orde zijn. Vaak zijn dit sportparken etc.
3.7 Welstand en monumentenbeleid
3.7.1 Inleiding
Rijksmonumenten
De bescherming van het monument zelf is geregeld in de Monumentenwet (1988) of in de gemeentelijke Monumentenverordening. Bouwen en verbouwen aan rijksmonumenten is vastgelegd in de Monumentenwet. Deze wet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten met een leeftijd van 50 jaar of hoger als rijksmonument aan te wijzen. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. Rijksmonumenten zijn in het Monumentenregister ingeschreven door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ). Het hele object, of het nu een gebouw of een object in de openbare ruimte betreft, is beschermd. Veranderingen aan rijksmonumenten doorvoeren is niet verboden, maar er moet altijd een vergunning aangevraagd te worden. Het is verboden rijksmonumenten te beschadigen of te vernielen. Het is bovendien niet toegestaan een monument zo te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken dat het monument in gevaar wordt gebracht of ontsierd wordt. Een vergunning wordt pas verleend na afweging van alle belangen van zowel de belanghebbende(n) als van het object zelf. Deze afweging wordt gemaakt door de RDMZ en de gemeente. Voorts kan de eigenaar een verzoek indienen bij de rijksoverheid om subsidie te krijgen voor restauratie of, bij bijzondere monumenten, voor onderhoud. De Monumentenwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads en dorpsgezichten. Aangezien het beschermen van stads en dorpsgezichten een zaak is van monumentenzorg en van ruimtelijke ordening, heeft zowel de staatssecretaris van OC&W als de Minister van VROM de bevoegdheid tot aanwijzing. Bouwen in beschermde stads en dorpsgezichten is aan bepaalde regels gebonden. Deze zijn vervat in een aangepast bestemmingsplan en hebben primair betrekking op het respecteren van de lokale karakteristiek. Het opstellen van het aangepaste bestemmingsplan voor een beschermd stads en dorpsgezicht gebeurt in nauwe samenspraak met de monumentencommissie en de RDMZ.
Gemeentelijke en provinciale monumenten
Net als bij rijksmonumenten dient bij bouwen en verbouwen aan een gemeentelijk of provinciaal monument uitgegaan worden van een afweging tussen de belangen van de belanghebbende(n) en het object zelf. Bij een bouwvergunning moet de gemeentelijke of provinciale monumentencommissie verplicht om advies gevraagd worden. Een beslissing wordt genomen door burgemeester en wethouders of door gedeputeerde staten. Een belangrijk verschil tussen rijksmonumenten enerzijds en gemeentelijke en provinciale monumenten anderzijds is dat alleen rijksmonumenten vallen onder het regime van de Monumentenwet en dat de ouderdomsnorm van 50 jaar alleen op rijksmonumenten van toepassing is.
3.7.2 Monumenten op de Welstandsbeleidskaart
Het aan en verbouwen van het monument op zich is dus geregeld in de Monumentenverordening en wet. Echter, de gebouwen in de directe omgeving van een monument vallen hier niet onder terwijl zij wel liggen binnen de beeldinvloedssfeer van dat monument. In het kader van welstand is het wenselijk bij (aan of ver)bouwen van de belendende panden extra aandacht aan de vormgeving te besteden, zodat met de nieuwe ontwikkeling het monument gerespecteerd wordt. Dit geldt ook voor beeldbepalende panden, hiervoor is echter geen wettelijke status aanwezig (zie ook themablad ‘Bouwen aan/bij monumenten en beeldbepalende panden’).
Bouwplannen aan of nabij monumenten worden getoetst door de monumentencommissie en door de welstandscommissie. Dit vormen twee onafhankelijke adviezen. De welstandscommissie toetst aan de gebiedsgerichte criteria. Voor monumenten geldt dat alle vergunningsvrije bouwwerken zoals genoemd in de AmvB lichtvergunningplichtig zijn. Dit houdt in dat kleine bouwplannen die normaal gesproken vergunningvrij zijn en dus preventief niet getoetst worden aan redelijke eisen van welstand, vooraf getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. De monumentencommissie toetst aan de redengevende beschrijving van het monument. Door de monumentencommissie wordt vaak meer op detail getoetst. Ook kan bijvoorbeeld het interieur van belang zijn. Het detailniveau hoeft voor de welstandscommissie niet van belang te zijn.
3.8 Welstand en reclamebeleid
Reclame-uitingen aan of op gevels alsmede reclameobjecten zijn bedoeld om op te vallen. Daarom kunnen ze, indien harmonieuze inpassing achterwege blijft, al snel als visueel storend worden ervaren. Derhalve is voor plaatsing in beginsel altijd een vergunning van de gemeente nodig.
Bij de beoordeling van reclame-uitingen door gemeenten in het kader van welstand wordt onder meer gelet op de visuele afstemming van de reclame op het gebouw en de omgeving. Hiervoor wordt advies gevraagd aan de plaatselijke of provinciale welstandscommissie.
Concreet wordt gekeken naar de volgende aspecten:
•Er moet worden gelet op de vormgeving van de reclame.
•De reclame moet een functionele relatie hebben met het gebouw waarop deze wordt aangebracht.
•In het themablad ‘Reclame’ zijn criteria voor reclame-uitingen opgenomen
7. SNELTOETSCRITERIA
7.1 Inleiding
In veruit de meeste gevallen komen mensen via de bouwvergunningsaanvraag of in het voortraject daarvan met welstand in aanraking. Met de nieuwe Woningwet (Staatsblad 2001, 158) is ook de bouwvergunningsprocedure voor een gedeelte veranderd. In de nieuwe Woningwet bestaan alleen nog vergunningsvrije en vergunningplichtige bouwwerken. Daarnaast is er een lichte en een reguliere procedure geïntroduceerd.
Voor licht-bouwvergunningplichtige, onderdelen van regulier vergunningplichtige bouwaanvragen en sommige regulier bouwvergunningplichtige bouwwerken (zie ook hoofdstuk 5, pag. 1, 2 en 3) zijn de zogenaamde sneltoetscriteria van toepassing. Deze bestaan uit twee componenten: Algemene sneltoetscriteria en Gebiedsgerichte sneltoetscriteria. De algemene sneltoetscriteria bevatten criteria voor de veel voorkomende kleine bouwplannen. Deze set is op landelijk niveau door de Federatie Welstand opgesteld en biedt een solide basis voor een gekwantificeerde sneltoets. Daarnaast worden gebiedsspecifieke sneltoetscriteria onderscheiden die ten opzichte van de algemene sneltoetscriteria gebiedsspecifiek zijn gemaakt op specifieke gebiedseigen kenmerken van de veel voorkomende kleine bouwplannen. In onderstaand hoofdstuk zijn de algemeen geldende sneltoetscriteria per type bouwwerk gerangschikt. Per type veel voorkomend klein bouwplan is, indien van toepassing, in het schema voor § 7.3. een verwijzing naar de, aanvullend geldende, gebiedsgerichte sneltoetscriteria aangegeven. De gebiedsgerichte criteria zijn te vinden onder de tabellen in Deel B, hoofdstuk 5.
7.2 Toepassing
Per Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) is een lijst opgesteld van bouwvergunningsvrije bouwwerken en bouwwerkzaamheden waarvoor een lichte bouwvergunningsprocedure gaat gelden. Bouwvergunningsaanvragen voor bouwwerken die niet behoren tot de categorie bouwvergunningsvrije of licht-vergunningplichtige bouwwerken vallen onder de reguliere bouwvergunningsprocedure. De procedureschema’s van Albrandswaard zijn opgenomen in Deel C hoofdstuk 10. Ten behoeve van de welstandstoetsing van deze licht-vergunningplichtige bouwplannen zijn zogenaamde sneltoetscriteria geformuleerd. Deze sneltoetscriteria zijn tweeledig: algemeen en gebiedsspecifiek.
Algemene sneltoetscriteria
Bij de algemene sneltoetscriteria gaat het om objectieve criteria die de planindiener vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid dient te geven. De algemene sneltoetscriteria kunnen gezien worden als een verzameling standaardoplossingen die in elk geval geen bezwaren zullen oproepen. Wanneer een bouwplan niet strijdig is met de sneltoetscriteria kan de vergunning binnen zeer korte termijn worden verleend.
Gebiedsgerichte sneltoetscriteria
In bepaalde gevallen gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria gebiedsgerichte sneltoetscriteria. Het gaat hier om aanvullende gebiedsgerichte welstands-criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen ter uitbreiding van of toevoeging aan een bestaand gebouw en wanneer deze veel voorkomende kleine bouwplannen deel uit maken van een nieuwbouwplan ten behoeve van een nieuw gebouw. Deze aanvullende, gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn gerelateerd aan een bepaald type architectuur in een bepaald type gebied en zijn in tabelvorm weergegeven onder de tabel met 'gebiedsgerichte welstands-criteria' (zie ook hoofdstuk 5, pag.1, 2 en 3).
De onderstaande tabel wordt ingevuld na de gemeentelijke workshop. Daarna worden ook de niet gebruikte typologieën verwijderd.
Aanbouwen, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen
Vrijstaande bijgebouwen en
Overkappingen
Kozijn- en gevelwijzigingen
Dakkapellen
Erf- en perceelsafscheidingen
H4.1
●
●
●
●
●
H4.2
●
●
●
●
H6.2
●
●
●
●
W1.1
●
●
W1.2
●
●
●
W1.3
●
●
●
●
●
W2
7.3 Beoordelingsaspecten
In deze paragraaf worden de sneltoetscriteria weergegeven. Deze criteria zijn gebaseerd op een landelijke standaardisatie. Indien gewenst kan men door andere waarden in te vullen, criteria weg te laten of toe te voegen deze criteria afstemmen op het gemeentelijk beleid.
Het kan voorkomen dat een bouwwerk in strijd is met de criteria maar wel een waardevolle en/of kwalitatieve toevoeging vormt voor het hoofdgebouw of de omgeving. Daarnaast kan het voorkomen dat juist het hoofdgebouw of de omgeving zich niet leent voor het voorgestelde bouwwerk. Om dit soort situaties te voorkomen is een vangnet gebruikt door het toevoegen van de regel: “Deze criteria gelden tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel mag bestaan aan de toepasbaarheid van de genoemde criteria”. Bij het gebruik van dit vangnet dient deugdelijk gemotiveerd te worden waarom er een uitzondering wordt gemaakt op de opgestelde criteria. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op art. 4:84 AwB.
Hieronder worden sneltoetscriteria gegeven voor, aan en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, erfafscheidingen, dakramen, zonnepanelen en –collectoren, spriet-, staaf- en schotelantennes, rolhekken, luiken en rolluiken. Een bouwplan is in ieder geval niet strijdig met redelijke eisen van welstand als:
•Het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde sneltoetscriteria zoals hierna zijn opgenomen, en;
•Het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde criteria in de gebiedsuitwerking met betrekking tot de kleine bouwwerken, of;
•Het bouwwerk bij vervanging qua plaatsing en vormgeving identiek is aan het oorspronkelijke bouwwerk, mits de vervanging geen gevolg is van repressief welstandstoezicht.
Als er voor een bepaald type licht-vergunningplichtig bouwplan geen sneltoetscriteria zijn opgenomen zal het bouwplan door de welstandscommissie getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie zal het bouwplan dan beoordelen op basis van de gebiedsgerichte (Deel B hoofdstuk 5) en/of de algemene criteria (Deel B hoofdstuk 4).
Tenzij anders is aangegeven, worden de afstanden loodrecht en maten buitenwerks (buitenzijde gebouw) gemeten.
7.4 Aan- en uitbouwen
Omschrijving en uitgangspunten
Een aanbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Ook niet-vrijstaande bijgebouwen vallen onder deze aanbouwen. Een uitbouw is een grondgebonden vergroting van een bestaande ruimte behorende tot het hoofdgebouw van één bouwlaag. Het bestemmingsplan treedt bij de vergunningplichtige aan- en uitbouwen in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Aan- en uitbouwen worden in grote aantallen gerealiseerd. Als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een aan- of uitbouw aan de achterkant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen). Om het straatbeeld te respecteren en intact te houden dient er bij de mogelijke toepassing van aan- en uitbouwen aan de voorkant een bufferzone aanwezig te zijn tussen gevel en straat.
De gemeente streeft in gebieden met een samenhangende ruimtelijkformele karakteristiek naar een herhaling van gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen. Belangrijk is dat de contour en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat de aan- of uitbouw qua uitstraling en volume ondergeschikt is aan het oorspronkelijke gebouw.
Criteria voor aan- en uitbouwenaan de voorkant en aan de zijgevel (gericht naar de openbare weg)
Een aan- of uitbouw aan de voorkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een aan- of uitbouw niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
•de aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw
•geen secundaire aan- of uitbouw (bijvoorbeeld aan een bestaande aan of uitbouw), maar kiezen voor 1 éénduidige opbouw
plaatsing en aantal:
•afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot voorgevellijn minimaal 2.00 m. Indien in het bestemmingsplan een andere afstand wordt voorgeschreven, dient die afstand te worden aangehouden.
•de aan- of uitbouw aan de voorgevel mag niet buiten de zijgevel uitsteken, geen hoekaanbouw
•afstand van de aan- of uitbouw aan zijgevel tot zijerfgrens minimaal 1.00 m. (indien deze zijerfgrens is gelegen aan de openbare weg). Indien in het bestemmingsplan een andere afstand wordt voorgeschreven, dient die afstand te worden aangehouden.
•er is geen andere aan- of uitbouw aan de betreffende gevel aanwezig
maatvoering:
aan de zijgevel:
•hoogte niet hoger dan eerste bouwlaag/vloer 1e verdieping plus 25 cm. van het hoofdgebouw en minimaal 0.50 m. onder dakvoet
•Indien het hoofdgebouw 1 bouwlaag betreft, moet de hoogte van de aan- of uitbouw gelijk zijn aan die bouwlaag, met een maximum van 3,5 m.
•diepte maximaal 3.00 m. gemeten vanaf oorspronkelijke zijgevel
•oppervlakte tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk zijerf is bebouwd. Indien in het bestemmingsplan een ander bebouwingsoppervlak wordt voorgeschreven, dient die oppervlaktemaat te worden aangehouden.
aan de voorgevel:
•hoogte niet hoger dan eerste bouwlaag / vloer 1ste verdieping plus 25 cm. van hoofdgebouw en minimaal 0,5 meter onder de dakvoet van het hoofdgebouw
•breedte maximaal 50% van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel en voorgevel en maximaal 4.00 m
•diepte maximaal 1.00 m. gemeten vanaf oorspronkelijke voorgevel
vormgeving:
•vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond
•plat afgedekt
•gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw.
•indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw
•geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek en boeiboord van circa 25 cm en ornamenten
•geen koppeling met een entreeluifel
materiaal en kleur:
•materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw
•geen te gesloten of te transparante aan- of uitbouw (of aangebouwd bijgebouw) aan de voorkant (richtlijn: een aan- of uitbouw (of aangebouwd bijgebouw)
•bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur op erfgrens
Balustrades:
Voorzover het bestemmingsplan het aanbrengen van een balustrade toestaat, dient deze zo neutraal als mogelijk te worden uitgevoerd, bij voorkeur een rank stalen spijlenhek, teruggeplaatst op het dak, in een donkere en gedekte kleurstelling (zwartgrijs of antracietgrijs). De balustrade dient achter de achtergevellijn te worden geplaatst, met als uiterste grens minimaal drie meter achter de voorgevel indien er sprake is van gevelopeningen in de zijgevel. De balustrade mag niet hoger zijn dan 1 m. Indien bij hetzelfde bouwblok reeds balustrades zijn aangebracht, dient de balustrade daaraan te worden aangepast teneinde een uniform beeld te verkrijgen.
Criteria voor aan- en uitbouwen aan de achterkant en aan de zijgevel (niet gekeerd naar de openbare weg)
Een aan- of uitbouw aan de achterkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een aan- of uitbouw niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
•de aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw
•geen secundaire aan- of uitbouw (bijvoorbeeld aan bestaande aan of uitbouw)
plaatsing en aantal:
•afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot voorgevellijn minimaal 2.00 m. Indien in het bestemmingsplan een andere afstand wordt voorgeschreven, dient die afstand te worden aangehouden.
•aan- of uitbouw aan de achtergevel mag niet buiten de zijgevel uitsteken, tenzij er sprake is van een hoekaanbouw
•er is geen andere aan- of uitbouw aan de betreffende gevel aanwezig
maatvoering:
•goothoogte in ieder geval niet hoger dan eerste bouwlaag / vloer 1ste verdieping van hoofdgebouw + 0,25 meter.
•oppervlakte tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk achter- of zijerf is bebouwd
vormgeving:
•vormgegeven in één bouwlaag
•plat afgedekt of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, helling en nokrichting; serres met een enkelvoudig flauw-hellend transparant dak
•gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw, behalve bij serres
•indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw; bij serres een regelmatige verdeling van kozijnstijlen
•geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten
materiaal en kleur:
•materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw
•aan- of uitbouw bestaat uit minimaal 20% en maximaal 75% openingen/glasvlak, bij serres zijn dak en achtergevel volledig transparant
•bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur op erfgrens (muurdam) of m.b.v. scheidende penant; serres worden op de erfgrens beëindigd met een horizontaal beëindigde, gemetselde gevel die dak en achtergevel volledig opsluit
Balustrades
Voorzover het bestemmingsplan het aanbrengen van een balustrade toestaan, dient deze zo neutraal als mogelijk te worden uitgevoerd, bij voorkeur een rank stalen spijlenhek, teruggeplaatst op het dak, in een donkere en gedekte kleurstelling (zwartgrijs of antracietgrijs). De balustrade dient achter de achtergevellijn te worden geplaatst, met als uiterste grens minimaal drie meter achter de voorgevel indien sprake is van gevelopeningen in de zijgevel. De balustrade mag niet hoger zijn dan 1 m. Indien bij hetzelfde bouwblok reeds balustrades zijn aangebracht, dient de balustrade daaraan te worden aangepast teneinde een uniform beeld te verkrijgen.
7.5 Bijgebouwen en overkappingen
Omschrijving en uitgangspunten
Een bijgebouw of overkapping is een grondgebonden gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, van één bouwlaag. Een bijgebouw staat los (of een aanbouw niet toegankelijk vanuit de woning) op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis, of garage. De overkapping staat los op het erf of tegen het hoofdgebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als bijgebouwen en overkappingen zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een bijgebouw of overkapping aan de achterkant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen).
De gemeente streeft in principe naar een bescheiden uiterlijk van de bijgebouwen en overkappingen: materialen en kleuren van gevels en dakvlakken afgestemd op die van het hoofdgebouw, eenvoudige kapvorm en geen onnodig grote dakoverstekken of versieringen. Bijgebouwen moeten qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw en afgestemd worden op het karakter van het hoofdgebouw of de erfinrichting. Een belangrijk kenmerk van een overkapping is de transparantie. Overkappingen mogen niet met wanden worden dichtgezet.
Bijgebouwen of overkappingen die contrasteren met het hoofdgebouw zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd.
Criteria voor bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant of aan de zijgevel (gericht naar de openbare weg)
Een bijgebouw of overkapping aan de voorkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
Een bijgebouw of overkapping op het voorerf is altijd van grote invloed op het straatbeeld. Deze bijgebouwen of overkappingen zullen dan ook altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
•geen secundaire overkapping
plaatsing en aantal:
•geen bijgebouw of overkapping voor de voorgevellijn
•afstand tot voorgevellijn minimaal 2.00 m.
•afstand tot erfgrens minimaal 1.00 m. tenzij bijgebouw wat betreft materialisering is geïntegreerd in erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk en/of hetzelfde materiaal). Indien in het bestemmingsplan een andere afstand wordt voorgeschreven, dient die afstand te worden aangehouden.
•voor vrijstaande bijgebouwen afstand tot gevels hoofdgebouw (woning) minimaal 3.00 m.
•Ingeval van meerdere bijgebouwen en/of overkappingen op een erf, eenduidige materialisering en kleurgebruik.
maatvoering:
oppervlakte voor- en zijerf niet meer dan 50% bebouwen. Indien in het bestemmingsplan een ander bebouwingsoppervlak wordt voorgeschreven, dient die oppervlaktemaat te worden aangehouden.
vormgeving:
•vormgegeven in één bouwlaag
•overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open.
•plat
•indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw
•geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek en boeiboord van ca. 25 cm. en ornamenten
materiaal en kleur:
•materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metselwerk of hout). Geen golfplaat, betonplaten of damwandprofielen of daarmee vergelijkbaar materiaal.
•bij integratie met erfafscheiding materiaal- en kleurgebruik gelijk aan erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk of beide hetzelfde materiaal)
•geen te transparante bijgebouwen aan de voorkant (serres, kassen)
Criteria voor bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant en zijgevel niet aan de openbare weg
Een bijgebouw of overkapping aan de achterkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
•geen secundaire overkapping (bijvoorbeeld aan een reeds bestaande aan, uitbouw of bijgebouw)
plaatsing en aantal:
•afstand tot voorgevellijn minimaal 2.00 m. Indien in het bestemmingsplan een andere maatvoering wordt voorgeschreven, dient die maatvoering te worden aangehouden.
•afstand tot erfgrens minimaal 0.50 m. (achter erfafscheiding) tenzij bijgebouw wat betreft materialisering is geïntegreerd in erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk of beide hetzelfde materiaal). Indien in het bestemmingsplan een andere maatvoering wordt voorgeschreven, dient die maatvoering te worden aangehouden.
•afstand tot gevels hoofdgebouw minimaal 2.00 m. voor bijgebouwen
•Ingeval van meerdere bijgebouwen en/of overkappingen op het erf, eenduidige materialisering en kleurgebruik.
maatvoering:
•hoogte maximaal 3.00 m. gemeten vanaf het aansluitend terrein. Indien in het bestemmingsplan een andere maatvoering wordt voorgeschreven, dient die maatvoering te worden aangehouden.
•bij toepassing van een zadeldak goothoogte maximaal 3.00 m. en nokhoogte maximaal 2.00 m. boven de goothoogte (bij toepassing van zadeldak goothoogte maximaal 3,00 m. en nokhoogte maximaal 5,00 m.) gemeten vanaf het aansluitend terrein
•Oppervlakte zij- en achtererf niet meer dan 50% bebouwen. Indien in het bestemmingsplan een ander bebouwingsoppervlak wordt voorgeschreven, dient die oppervlaktemaat te worden aangehouden.
vormgeving:
•vormgegeven in één bouwlaag
•overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open.
•plat afgedekt of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, -helling en nokrichting
•geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek en boeiboord van ca 25 cm en ornamenten
materiaal en kleur:
•materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metselwerk of hout). Geen betonplaten of damwandprofielen in het zicht of daarmee vergelijkbaar materiaal
•gevels bijgebouw bestaan uit maximaal 75% openingen en/of glasvlak
•geen te transparante bijgebouwen aan de voorkant (serres, kassen)
Balustrades
Voorzover het bestemmingsplan het aanbrengen van een balustrade toestaat, dient deze zo neutraal als mogelijk te worden uitgevoerd, bij voorkeur een rank stalen spijlenhek, teruggeplaatst op het dak, in een donkere en gedekte kleurstelling (zwartgrijs of antracietgrijs). De balustrade dient achter de achtergevellijn te worden geplaatst, met als uiterste grens minimaal drie meter achter de voorgevel indien sprake is van gevelopeningen in de zijgevel. De balustrade mag niet hoger zijn dan 1 m. Indien bij het zelfde bouwblok reeds balustrades zijn aangebracht, dient de balustrade daaraan te worden aangepast teneinde een uniform beeld te verkrijgen.
7.6 Kozijn en gevelwijzigingen
Omschrijving en uitgangspunten
Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Omdat de opbouw en indeling van de gevel een belangrijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand moeten ook de kozijn of gevelwijzigingen zorgvuldig worden ingepast. Samenhang en ritmiek in straatwanden mogen niet worden verstoord door incidentele kozijn of gevelwijzigingen. Met name een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel of zijgevel als deze gekeerd is naar de weg of het openbaar groen vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving. Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om andere vormgeving dan een historisch pand uit de 19de eeuw.
Het uitgangspunt van de sneltoetscriteria is dat de oorspronkelijke of originele vormgeving in elk geval niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Belangrijke te handhaven kenmerken daarbij zijn de maatvoering van de negge en profilering van het kozijn en het raamhout. De materialisering en (mate aan) detaillering is voornamelijk afhankelijk van het gebiedsgerichte beoordelingskader.
Wijzigingen in de gevel die contrasteren met het hoofdgebouw of de directe omgeving zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd.
Criteria voor kozijn of gevelwijzigingen
Een kozijn- of gevelwijziging is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een kozijn- of gevelwijziging niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
Wijzigingen aan de voorgevel of zijgevel, als deze gekeerd is naar de weg of openbaar groen, zijn altijd van grote invloed op het straatbeeld. Dergelijke kozijn of gevelwijzigingen zullen dan ook altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Wijzigingen aan de achterkant op de begane grond hebben zo weinig invloed op de openbare ruimte dat hiervoor geen nadere eisen hoeven te worden gesteld.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
•op wijzigingen aan de achterkant op de begane grond zijn onderstaande criteria niet van toepassing
plaatsing en aantal:
•niet van toepassing
maatvoering:
•oorspronkelijke maatvoering kozijn en ramen behouden
•diepte van negge gelijk aan bestaande situatie
•oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout behouden
vormgeving:
•gevelwijziging blijft in overeenstemming met de architectuur/tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel
•een individuele wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en
•indeling van de gehele gevel, m.a.w. verticale of horizontale indeling van gevel handhaven
•samenhang en ritmiek van de straatwand worden niet verstoord
•de gevel van begane grond en verdieping(en) blijft samenhangend
•de hoofdindeling komt overeen met de oorspronkelijke indeling:
•indeling raamhout behouden
•eventuele roedeverdeling alleen met authentieke roedes
•toegevoegde of vervangende draaiende of schuivende delen zijn mogelijk
•gevelopeningen niet geblindeerd met panelen of schilderwerk
•bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen in originele staat of in ieder geval in overeenstemming met op de vormentaal van andere in de gevel voorkomende lateien, onderdorpels en/of raamlijsten
•geen originele schuiframen met bovenarmen vervangen door de naar buiten vallende uitzetramen. Valramen of draaikiepramen genieten de voorkeur. De terugliggende plaatsing van het schuifraam ten opzichte van het bovenraam intact late
materiaal en kleur:
•materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig de reeds aanwezige materialen en kleuren van het hoofdgebouw
•stalen kozijn en raamprofielen vervangen door aluminium renovatieprofielen, alleen aluminium kan de dimensionering en profilering van staal benaderen
•zeer terughoudend met de toepassing van kunststof bij vervanging van houten kozijnen, en zo ja, verdiept of oorspronkelijk profiel van houten kozijn toepassen
•geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik
7.7 Dakkapellen
Omschrijving en uitgangspunten
Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. Later toegevoegde dakkapellen zijn zelden een verrijking van het straatbeeld. Wanneer het mogelijk is zal de welstandscommissie dan ook adviseren de dakkapel aan de achterkant van de woning aan te brengen. (op het achter of zijdakvlak als het zijerf of gevel niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen)
Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. Daarom mag een dakkapel nooit domineren in het silhouet van het dak en moet de noklijn van het dak, afhankelijk van straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. Bovendien moet de ruimte tussen dakkapel en goot voldoende zijn. Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen.
In plaats van een dakkapel kunnen ook dakramen worden aangebracht. Deze zijn minder dominant in het straatbeeld. Ook voor dakramen geldt het streven naar herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn.
Criteria voor dakkapellen op het voordakvlak en het zijdakvlak gekeerd naar de openbare weg/openbaar groen
Een dakkapel aan de voorkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
•de dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok
•de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw
•geen dakkapel op bijgebouw, aan of uitbouw
plaatsing en aantal:
•bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt
•bij een individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding voorgevel
•minimaal 0,50 m. dakvlak boven en minimaal 1.00 m onder en aan weerszijden van de dakkapel, afstand tot boven en onderkant dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel)
•Indien de dakvoet lager is gelegen dan de verdiepingsvloer, dient de afstand tussen bovenkant vloer en onderkant dakkapel minimaal 0,50 m en maximaal 1.00 m te zijn.
•niet meer dan één dakkapel per woning op het betreffende dakvlak
maatvoering:
•hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.50 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim
•breedte in totaal maximaal 50% van de breedte van het dakvlak gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel)
vormgeving:
•plat afgedekt of, bij een dakhelling groter dan 45 graden desgewenst een aangekapte dakkapel met een minimale dakhelling van 25 graden.
•gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw
•indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw
•geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord van ca. 25 cm en ornamenten
materiaal en kleur:
•materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw
•materiaal- en kleurgebruik van kap bij aangekapte dakkapel gelijk aan kap hoofdgebouw.
•beperkte toepassing van dichte panelen in het voorvlak, eventueel alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken
•zijwangen dakkapel afgewerkt in:
•een donkere gedekte kleur
•een witte kleur
•de kleur van het dakvlak
•of afgewerkt met zink
•Criteria voor dakkapellen op het achterdakvlak en zijdakvlak niet gekeerd naar de openbare weg/openbaar groen (voor zover niet vergunningsvrij)
Een dakkapel aan de achterkant (voor zover niet vergunningsvrij) is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
•de dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok
•de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw
plaatsing en aantal:
•bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt
•bij individuele woning/pand gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding achtergevel/zijgevel
•de afstand van de dakkapel tot de dakvoet dient minimaal 0,50 m. en maximaal 1,00 m. te zijn
•Indien de dakvoet lager is gelegen dan de verdiepingsvloer, dient de afstand tussen bovenkant vloer en onderkant dakkapel minimaal 0,50 m en maximaal 1.00 m te zijn.
•minimaal 0.50 m. dakvlak boven, onder en aan weerszijden van de dakkapel, afstand tot boven en onderkant dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel)
•bij plaatsing op een zijdakvlak afstand tot het voorerf (meestal de voorgevelrooilijn) minimaal 1.00 m
•bij meerdere dakkapellen/dakramen een tussenruimte van minimaal 1.00 m.
•niet meer dan twee dakkapellen per woning (regelmatig gerangschikt op horizontale lijn) op het betreffende dakvlak
maatvoering:
•de afstand tussen de zijkanten van de dakkapel en de zijkanten van het dakvlak dient minimaal 0,5 m te zijn.
•plat afgedekte dakkapellen:
•hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.50 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim
•aangekapte dakkapellen:
•afstand tussen de voet van de dakkapel en de gootlijn van de dakkapel maximaal 100 cm, totale hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak
vormgeving:
•plat afgedekt of, bij een dakhelling groter dan 45° desgewenst een aangekapte dakkapel met een minimale dakhelling van 25°
•gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw
•indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw
•geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord van ca. 25 cm en ornamenten
materiaal en kleur:
•materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw
•materiaal- en kleurgebruik van kap bij aangekapte dakkapel gelijk aan kap hoofdgebouw
•voorvlak grotendeels gevuld met glas, beperkte toepassing van dichte panelen
•zijwangen dakkapel afgewerkt in:
•een donkere gedekte kleur
•een witte kleur
•de kleur van het dakvlak
•of afgewerkt met zink
In het verleden zijn dakkapellen gerealiseerd die niet aan de bovenstaande criteria voldoen. Dit heeft in het algemeen een zeer divers en vaak zeer rommelig beeld opgeleverd, welk beeld naar de mening van de gemeente geen navolging verdient. Wel zou vanuit een soort rechtsgelijkheid en een al aanwezig verstoord beeld het mogelijk moeten zijn om op hetzelfde bouwblok in een omgeving waar van de criteria afwijkende dakkapellen zijn gerealiseerd, deze eerder gerealiseerde dakkapellen te kunnen herhalen. Voorwaarde daarbij is vanzelfsprekend wel dat die dakkapellen met vergunning zijn geplaatst. Daar waar er op een bouwblok al afwijkende dakkapellen zijn gerealiseerd die niet voldoen aan de voornoemde criteria, bestaat er voor aanvragers de mogelijkheid om een dakkapel te realiseren gelijk aan deze eerder gerealiseerde dakkapellen op hetzelfde bouwblok. Deze mogelijkheid bestaat niet voor woningen in een bouwblok waarop nog geen afwijkende dakkapellen zijn gerealiseerd (die niet voldoen aan de bovenstaande criteria), aan de buitenrand of de zichtbepalende zijde van de buurt of wijk, in buurten en wijken waar afwijkende dakkapellen slechts sporadisch voorkomen en op het voordakvlak van woningen. Voor deze woningen gelden de bepalingen uit deze sneltoetscriteria.
Aanvullende criteria voor dakkapellen per kapvorm
Bij een aantal afwijkende kapvormen zijn naast bovenstaande sneltoetscriteria voor de voor en achterkant een aantal aanvullende criteria van toepassing. In geval van combinaties van verschillende dakvormen zal door de welstandscommissie per situatie een afweging gemaakt worden van de toelaatbare uitbreidingen.
Zadeldak met hellingshoek <30°
Soms geeft een zadeldak door de flauwe helling weinig tot geen gelegenheid om een dakkapel toe te passen. Door de flauwe helling wordt de bovenzijde van de dakkapel namelijk (nagenoeg) gelijk met de nok. Hierdoor worden het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast, daarom is het plaatsen van een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30° welstandshalve ongewenst. Een reguliere dakkapel is hier dus niet goed mogelijk.
Als de vrije hoogte onder de nok tenminste 2.00 meter bedraagt kan soms een oplossing worden gevonden door de nok te verplaatsen en te verhogen. Dan spreken we van een dakopbouw. Plaatsing valt dan onder een reguliere vergunningsprocedure en zal door de welstandscommissie worden getoetst op redelijke eisen van welstand.
Zadeldak met hellingshoek > 30°
De algemene sneltoetscriteria voor dakkapellen zijn hier van toepassing. Hiervoor gelden dus geen aanvullende sneltoetscriteria.
Zadeldak met wolfseind
De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoegingen. De zijdakvlakken zijn hiervoor meer geschikt, en dienen behandeld te worden als het zadeldak. Hierbij dienen de wolfseinden gerespecteerd te worden. Dakopbouwen zijn daarom niet gewenst.
Zadeldak met vliering
De basismaat van de vliering is te gering om een dakkapel of opbouw te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm dus geen dakkapellen op dakvlak.
Schild-, tent- of piramidedak
Het karakter van deze kapvormen, met naar de nok toelopende hoekkepers, vereist een zeer beperkte afmeting van de dakkapel. Bij situering van de dakkapel dienen de hoekkepers te worden gerespecteerd en dient minimaal een meter dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel.
Mansardedak
Een daktoevoeging is toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen een schuin afgedekte dakkapel en een dakkapel met plat dak. In beide gevallen dient de bovenaansluiting met het dakvlak op de knik van het dakvlak plaats te vinden.
Lessenaardak
Voor dakkapellen op lessenaardaken gelden dezelfde uitgangspunten als voor zadeldaken. Afhankelijk van de hoek van het dak en de nok en goothoogte gelden verschillende regels. Wanneer de hoek kleiner is dan 30° is een dakkapel welstandshalve niet wenselijk. Bij een hoek kleiner dan 45° is een dakkapel aanvaardbaar wanneer de vrije hoogte onder de nok meer dan 2.70 m meet, zodat de dakkapel voldoende ver onder de nok zal blijven.
Asymmetrisch dak
Een dakkapel hoog in het dakvlak geeft bij een asymmetrisch dakvlak een onevenwichtig beeld en is welstandshalve niet gewenst. Het advies hier is omzetten naar het andere dakvlak.
In het algemeen worden dakkapellen onder in het dakvlak toegepast. Door de grootte van het dak ontstaat hiermede een goed en evenwichtig beeld.
7.8 Erf- en perceelsafscheidingen
Omschrijving en uitgangspunten
Een erfafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Een erfafscheiding tussen buren moet in de eerste plaats door beide kanten worden gewaardeerd. Indien aan deze voorwaarde wordt voldaan zal de gemeente zich terughoudend opstellen. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Vooral in nieuwbouwwijken is dit een belangrijk punt, omdat het groen hier de eerste jaren nog niet volgroeid is.
Erfafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving. In het buitengebied bijvoorbeeld zijn dichte, gebouwde erfafscheidingen bijna altijd storend. Hier dient bij voorkeur te worden gewerkt met hagen en windsingels, eventueel in combinatie met onopvallend open gaaswerk zonder puntdraad. In sommige gevallen is een open hekwerk ook voorstelbaar, zoals bijvoorbeeld bij landgoederen.
Erfafscheidingen moeten op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en moeten worden gemaakt van duurzame materialen. Een lange, gesloten, slecht onderhouden schutting wekt bij velen het gevoel op van verloedering en sociale onveiligheid. Begroeide hekwerken en beplantingen hebben een open en vriendelijke uitstraling.
Criteria voor erfafscheidingen
Het plaatsen van een erf of perceelafscheiding is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een erf of perceelafscheiding niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
•in afwijking van standaard situaties, bijvoorbeeld hoekpercelen met twee voorgevels, ter advisering aan de Welstandscommissie.
maatvoering:
•hoogte maximaal 1.00 m als erfafscheiding wordt geplaatst voor of op minder dan 1 meter afstand tot de voorgevellijn
•hoogte maximaal 2.00 m als erfafscheiding wordt geplaatst minimaal 1 meter afstand achter de voorgevellijn
vormgeving:
•vormgeving afgestemd op erfafscheiding van belendend perceel, tenzij deze niet voldoet aan de hier genoemde sneltoetscriteria voor erf en perceelafscheidingen
•volledig te begroeien open gaas of hekwerk, als drager voor beplanting
•geleding houten erfafscheiding afgestemd op erfafscheiding van belendend perceel of reeds bestaande erfafscheiding in de omgeving
•rechte vormgeving, geen toogvormen
materiaal en kleur:
•terughoudend materiaal- en kleurgebruik: vermijden van contrast met bebouwing in omgeving
•kleur en materiaal aansluitend op erfafscheiding van naburig perceel, tenzij deze niet voldoet aan de hier genoemde sneltoetscriteria voor erf en perceelafscheidingen
•metselwerk conform het hoofdgebouw, waarboven mogelijk metalen stijlen in donkere kleur of schotten van houten planken tussen gemetselde penanten of onderzijde gesloten (tot 1,00 m. vergunningsvrij) en bovenzijde tot 2,00 m. transparant of volledig te begroeien op gaas of hekwerk, als drager van beplanting.
•houtwerk om en om aangebracht wanneer geplaatst achter de voorgevelrooilijn op de zij of achtererfgrens als deze niet gekeerd is naar de weg of openbaar groen
•geen toepassing van beton, kunststof, staal, golfplaat, damwandprofielen, rietmatten of vlechtschermen, niet verder behandeld geïmpregneerd hout, met bovengenoemde toepassingen vergelijkbare materialen.
•geen felle contrasterende kleuren
7.9 Overige licht-vergunningplichtige bouwwerken
Sneltoetscriteria zijn, conform art. 7 van de AMvB, alleen verplicht voor de categorieën bouwwerken die hiervoor zijn behandeld. Aanvullend daarop heeft de gemeente tevens sneltoetscriteria vastgesteld voor dakramen, zonnepanelen en zonnecollectoren, Spriet-, staaf- en schotelantennes, rolhekken, luiken en rolluiken.
7.10 Dakramen
Dakramen vallen vaak onder de vergunningsvrije bouwwerken (zie de restricties in de brochures van VROM). De volgende omschrijvingen, uitgangspunten en criteria kunnen, wanneer bouwvergunningsvrij, worden gezien als een aanbeveling die kunnen bijdragen aan een verzorgd gevelbeeld. De excessenregeling heeft voornamelijk betrekking op sterk contrasterend kleur en materiaalgebruik.
Omschrijving en uitgangspunten
Een dakraam is een raam aangebracht in het dakvlak, waarbij de hoofdvorm van het dakvlak behouden blijft en dakbedekking rondom aanwezig is. Dakramen zijn niet erg dominant in het straatbeeld, maar kunnen door verschil in grootte en plaatsing binnen één dakvlak toch storend zijn.
Dakramen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakraam mag dus niet ten koste gaan van de eenheid van het dakvlak. Bij meerdere dakramen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Daarbij moet de ruimte tussen het dakraam en goot of nok voldoende zijn. Ook de onderlinge afstand tussen verschillende dakramen moet voldoende zijn om het dakvlak als eenheid te respecteren.
Criteria voor dakramen
In veel gevallen zullen dakramen vergunningvrij zijn. In die gevallen waarbij dat niet het geval is geldt het navolgende. Een dakraam is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een dakraam niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
plaatsing en aantal:
•bij meerdere dakramen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus in beginsel niet boven elkaar gerangschikt
•bij individuele woning/pand gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding voorgevel
•minimaal 0.50 m. dakvlak boven, onder en ter weerszijden van het dakraam, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van het dakraam (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/voet van de dakkapel)
•bij meerdere dakramen een tussenruimte van minimaal 0.50 m.
•maximaal twee dakramen op voordakvlak en vier dakramen op achter en zijdakvlak tot in totaal maximaal 50% van het oppervlak van het betreffende dakvlak is bebouwd.
maatvoering:
•oppervlakte maximaal 2.00 m2 per dakraam
•bij meerdere dakramen identieke maatvoering aanhouden
vormgeving:
•eenvoudige vormgeving, geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden kozijnprofilering
materiaal en kleur:
•eenvoudig en bescheiden kleurgebruik, geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik
7.11 Zonnepanelen en –collectoren
Zonnepanelen en –collectoren vallen vaak onder de vergunningsvrije bouwwerken (zie de restricties in de brochures van VROM). De volgende omschrijvingen, uitgangspunten en criteria kunnen, wanneer bouwvergunningsvrij, worden gezien als een aanbeveling die kunnen bijdragen aan een verzorgd gevelbeeld. De excessenregeling heeft voornamelijk betrekking op sterk contrasterend kleur en materiaalgebruik.
Omschrijving en uitgangspunten
Een zonnepaneel dient voor energieopwekking en een zonnecollector voor warmteopwekking. Deze voorzieningen worden in toenemende mate ontwikkeld en toegepast. Inmiddels is er zodanig ervaring mee opgedaan dat een zorgvuldige vormgeving en plaatsing mogelijk zijn. Zonnecollectoren of panelen die niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied hebben weinig ontsierende invloed. De situering van zonnepanelen of collectoren wordt echter bepaald door de optimale stand ten opzichte van de zon. Voorkeur van de gemeente voor situering aan de achterzijde kan daarom niet van doorslaggevende aard zijn bij de beoordeling van dergelijke bouwaanvragen. Alleen in beschermde stads en dorpsgezichten, op monumenten of beeldbepalende panden lijkt een alternatieve situering aan minder belangrijke zijden of op tuinbergingen een voor de hand liggend alternatief. Zonnecollectoren of panelen kunnen in het ontwerp van een gebouw worden geïntegreerd. Als losse toevoeging kunnen ze echter heel storend werken. Bij meerdere collectoren/panelen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn.
Criteria voor zonnepanelen of –collectoren
Een zonnepaneel of –collector is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een zonnepaneel of –collector niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
•op het dakvlak zijn geen dakramen of –kapellen gesitueerd
plaatsing en aantal:
•bij meerdere panelen/collectoren regelmatige rangschikking op horizontale of verticale lijn in een bepaalde ordening
•op schuine daken: geheel binnen het dakvlak en de hellingshoek gelijk aan de hellingshoek van het dakvlak.
•op platte daken: geheel is gelegen binnen een hoek van 15 graden vanaf de dakrand, met een minimumafstand tot de dakrand van 0,5 m.
vormgeving:
•paneel/collector integraal opgenomen in het ontwerp van het bouwwerk
•paneel/collector vormt een geheel met de installatie voor het opslaan van water of voor de opwekking van elektriciteit, zo niet dan is de installatie in het bouwwerk geplaatst
materiaal en kleur:
•de kleur overeenkomstig met het achterliggende dakvlak of anders zwart, antraciet of donker grijs
7.12 Spriet-, staaf- en schotelantennes
Spriet-, staaf- en schotelantennes vallen vaak onder de vergunningsvrije bouwwerken (zie de restricties in de brochures van VROM). De volgende omschrijvingen, uitgangspunten en criteria kunnen, wanneer bouwvergunningsvrij, worden gezien als een aanbeveling die kunnen bijdragen aan een verzorgd gevelbeeld. De excessenregeling heeft voornamelijk betrekking op sterk contrasterend kleur en materiaalgebruik.
Omschrijving en uitgangspunten
Het gaat hier om antennes die van wezenlijk belang zijn voor het kunnen zenden en/of ontvangen van radio-, televisie- en andere communicatiesignalen. Onder spriet of staafantennemast worden niet begrepen calamiteitensirenes en antenne-installaties ten behoeve van mobiele telefonie. Antennes kenmerken zich door een zeer eigen technische vormgeving die vooral aan de voorzijde storend kan zijn voor het straatbeeld. De gemeente streeft dan ook naar plaatsing van antennes achter het hoofdgebouw, in ieder geval onzichtbaar vanaf de weg of openbaar groen.
Antennes kunnen vrijstaand worden geplaatst of op/aan een bouwwerk worden aangebracht. Een antenne dient een ondergeschikt element te blijven ten opzichte van de omringende bebouwing. Als losse toevoeging kunnen ze storend werken op het uiterlijk van een gebouw. Met name de hoogte, de bouwkundige uitwerking en detaillering van antennes mogen geen zwaar stempel op de omgeving drukken. Een zorgvuldige plaatsbepaling kan een goed middel zijn om deze voorzieningen in te passen in de omgeving. Het heeft de voorkeur een antenne achter het hoofdgebouw en in ieder geval achter de voorgevellijn te plaatsen. Daarnaast is de maatvoering en een zorgvuldige kleurkeuze van belang. De antenne dient altijd ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw of het erf waarop deze geplaatst wordt en in ieder geval niet de boventoon te voeren.
Criteria voor Spriet-, staaf- en schotelantennes
Een Spriet-, staaf- en schotelantenneis niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een Spriet-, staaf- en schotelantenneniet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
plaatsing en aantal:
•antennes bij voorkeur aan een achtergevel bevestigt, in ieder geval achter de voorgevellijn geplaatst en niet op het voordakvlak
•niet aangebracht aan monumenten of beeldbepalende panden
•bij gestapelde woningbouw op het platte dak
•bij gestapelde woningbouw op of aan het balkon geplaatst binnen het verticale en horizontale vlak van het balkon en niet aan de gevel of kozijn
•maximaal één Spriet-, staaf- en schotelantenne aan, op of bij een woning/pand
maatvoering:
•hoogte spriet of staafantenne bij plaatsing op erf maximaal 5.00 m.
•hoogte spriet of staafantenne bij plaatsing aan gevel binnen bijzondere beeldbepalende gebieden zoals een dorpskern of centrumgebied maximaal 3.00 m. vanaf het snijpunt met het aangrenzende dakvlak
•hoogte spriet of staafantenne bij plaatsing aan gevel binnen overige gebieden zoals een bedrijventerrein , sportcomplex of woonwijk maximaal 5.00 m. vanaf het snijpunt met het aangrenzende dakvlak
•hoogte schotelantenne maximaal 3.00 m. gemeten vanaf de voet van de antenne(drager)
•doorsnede schotel maximaal 2.00 m.
vormgeving:
•antenne en bijbehorende voorzieningen (mast, bedrading, tuidraden etc) als één geheel vormgegeven
•indien zichtbaar vanaf de weg of het openbaar groen zo onzichtbaar mogelijk (een minimum aan dwarssprieten kan hiertoe bijdragen)
•beperken van aantal tuidraden. Bij bevestiging aan gevel geen tuidraden (stabiliteit wordt behaalt uit de bevestiging aan de gevel)
materiaal en kleur:
•materiaal en kleur onopvallend en aanvaardbaar in relatie tot de omgeving, geen felle, contrasterende kleuren maar antraciet of donker grijs
7.13 Rolhekken, luiken en rolluiken
Rolhekken, luiken en rolluiken vallen vaak onder de vergunningsvrije bouwwerken (zie de restricties in de brochures van VROM). De volgende omschrijvingen, uitgangspunten en criteria kunnen, wanneer bouwvergunningsvrij, worden gezien als een aanbeveling die kunnen bijdragen aan een verzorgd gevelbeeld. De excessenregeling heeft voornamelijk betrekking op sterk contrasterend kleur en materiaalgebruik.
Omschrijving en uitgangspunten
Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving echter ook een onherbergzaam aanzien geven, hetgeen verloedering juist in de hand werkt. Daarom stimuleert de gemeente in de eerste plaats het toepassen van alternatieve oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen.
Voor woningen is het toepassen van rolhekken, luiken en rolluiken vergunningsvrij gesteld. Voor gebouwen anders dan woningen en woongebouwen echter niet. Juist in winkelgebieden zijn de problemen met deze antiinbraak en –vandalisme voorzieningen het grootst. De gemeente streeft er daarom naar dat rolhekken, luiken en rolluiken de uitstraling van een pand niet negatief beïnvloeden.
Criteria voor rolhekken of (rol)luiken
Een rolhek, luik of rolluik is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een rolhek, luik of rolluik niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen:
•wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor
plaatsing:
•bij voorkeur minimaal 2.00 meter teruggelegen van de uitwendige scheidingsconstructie (pui)
•aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie (pui), mits:
•voor minimaal 70% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen
•ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met interieur/gevel
•aan de buitengevel, mits:
•plaatsing aan de binnenzijde niet mogelijk is
•voor minimaal 90% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen
•rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast
•ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met gevel
8. (REPRESSIEVE) CRITERIA VOOR VERGUNNINGSVRIJE BOUWWERKEN
8.1 Inleiding
Bij bouwvergunningsvrij bouwen geldt een aantal regels met betrekking tot het volbouwen van erf en dak, het voldoen aan het bouwbesluit, voorschriften ten aanzien van gebruik, burenrecht en ook aan redelijke eisen van welstand.
Een bouwvergunningsvrij bouwwerk wordt vooraf niet aan welstandseisen getoetst. Toch zijn er grenzen gesteld aan wat gebouwd mag worden. Bij bouwwerken die 'in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand' kan de gemeente ingrijpen. Hiervoor is de zogenaamde 'repressieve welstandstoets' ingesteld; een excessenregeling op grond waarvan gedwongen kan worden 'al te lelijke bouwwerken die ernstig uit de toon vallen' aan te passen.
Daarnaast bestaat er de mogelijkheid vergunningsvrije bouwwerken vrijwillig te laten toetsen aan de algemene en gebiedsgerichte sneltoetscriteria.
8.2 Repressieve toetsing van vergunningsvrije bouwplannen
Volgens artikel 19 Ww 2002 kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. Criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. De excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan. Voor de gemeente geldt het criterium dat er bij ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand sprake moet zijn van een exces, dat wil zeggen een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor nietdeskundigen evident is. Het gaat hierbij dus om zaken waaraan een groot deel van de mensen zich ergert. Vaak heeft dit betrekking op het onbruikbaar maken van bouwwerken, ernstig verval van bouwwerken, het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk, armoedig materiaalgebruik, toepassing van felle of contrasterende kleuren, te opdringerige reclames of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is. Het zal duidelijk zijn dat in een gebied waarvoor een hoog niveau is vastgesteld, er eerder sprake kan zijn van een exces dan in een gebied met een lager welstandsniveau.
De excessenregeling geldt ook voor vergunningsvrije bouwwerken. Vergunningsvrije bouwwerken die voldoen aan de sneltoetscriteria zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand. Bij afwijking daarvan zullen burgemeester en wethouders desgevraagd beoordelen of het bouwwerk in ernstige mate met die criteria in strijd is. De in deze nota opgestelde criteria kunnen daarbij dienen als repressief toetsingskader voor vergunningsvrije bouwwerken.
De plaatsing van een bouwvergunningsvrij bouwwerk kan overigens niet door middel van dit aanschrijfinstrument worden tegengegaan. Uitsluitend het uiterlijk van dat bouwwerk kan zo nodig worden aangepakt.
8.3 Vrijwillige toetsing van vergunningsvrije bouwplannen
Vrijwillige welstandstoetsing
Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met een ernstige strijdigheid van het bouwplan met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrij bouwwerk dit vooraf vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De algemene en gebiedsgerichte sneltoetscriteria kunnen daarbij dienen als adviserend kader.
Een dergelijke beoordeling kan voorafgaand aan de realisatie worden uitgevoerd op verzoek van de initiatiefnemer, of na de realisatie op verzoek van belanghebbenden (waaronder ook bestuurders, ambtenaren en leden van de welstandscommissie).
9. ORGANISATIE VAN WELSTAND
9.1 De welstandscommissie
De Woningwet 2003 (artikel 8 lid 2) verplicht gemeenten er toe de regels met betrekking tot de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie in de bouwverordening op te nemen. Voor informatie hierover wordt u verwezen naar de bouwverordening en de toelich-ting hierop.
9.2 De gemeentelijke organisatie
9.2.1 Burgemeester en wethouders voeren het welstandstoezicht uit
De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de bouwvergunning ligt bij burge-meester en wethouders. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen criteria. Het advies van de onafhankelijke en deskundige welstandscommissie speelt daarbij een belangrijke rol.
9.2.2 Afwijking van het advies, afwijken van de criteria
Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstands-commissie. Daarop zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden:
Afwijken van het advies op welstandsmotieven/ second-opinion
Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toe-passing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien burgemeester en wethouders bij een reguliere bouw-vergunningsaanvraag op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komen dan de welstands-commissie staan 2 mogelijkheden ter beschikking:
•Enerzijds kunnen burgemeester en wethouders de commissie vragen om een heroverwe-ging. Dit gebeurt in incidentele gevallen waarbij aanvullende planinformatie beschikbaar komt.
•Anderzijds kunnen zij voordat het besluit op de vergunningsaanvraag wordt genomen, binnen de daarvoor geldige afhandelingstermijn, een second-opinion aanvragen bij een andere onafhankelijke adviescommissie.
Het advies van deze tweede commissie speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders. Indien het advies van de reguliere commissie en de second-opinion tegengesteld zijn en burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de reguliere welstandscommissie, wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd. De reguliere welstandscommissie wordt hiervan op de hoog-te gesteld.
Afwijken van het advies om andere redenen
Burgemeester en wethouders krijgen volgens artikel 44 lid 1d Ww 2002 de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de bouwvergunning te verlenen indien zij van mening zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van eco-nomische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Burgemeester en wethouders van de gemeente zullen uiterst terughoudend zijn met het ge-bruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt ge-acht aan economische of maatschappelijke belangen.
9.2.3 Bezwarenprocedure
Het indienen van bezwaar
Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van burge-meester en wethouders op de aanvraag voor een bouwvergunning. Belanghebbenden zijn in de regel de planindiener en de direct omwonenden. In de bezwaarschriftprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit, na advies van de ‘Commissie Bezwaar- en Beroep-schriften’. Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd om tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. Binnen tien weken nemen burgemeester en wethouders daarna een beslissing op het bezwaar. De belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn, kunnen hiertegen in beroep gaan.
Het team Bouwen en wonen kan informatie over de procedure geven. Als een bezwaar te ma-ken heeft met het welstandsoordeel, richt de belanghebbende zich dus nadrukkelijk op het oordeel van burgemeester en wethouders en niet op het advies van de welstandscommissie. Dat is immers alleen een advies aan burgemeester en wethouders. De welstandscommissie zelf kent daarom geen bezwaarprocedure voor belanghebbenden. Natuurlijk kunnen de ontwerper en eventueel de planindiener de welstandscommissie wel een toelichting op een uitgebracht advies vragen. Na hoor en wederhoor kan de welstandscommissie, als zij daartoe aanleiding ziet, het advies herzien. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd. De Federatie Wel-stand beschikt over een beroepscommissie voor procedurele en juridische zaken. Hiervan wordt nauwelijks gebruik gemaakt. Van veel meer belang voor bouwaanvragers zou een lande-lijke beroepscommissie (een soort ombudsman) voor inhoudelijk beroep wenselijk zijn. Mo-menteel wordt binnen de Federatie Welstand gezocht naar een dergelijke formule.
9.2.4 Vooroverleg
De gemeente biedt ontwerpers en planindieners de mogelijkheid om, voorafgaand aan de for-mele bouwvergunningsaanvraag, vooroverleg te plegen met de welstandscommissie over de interpretatie van de welstandscriteria in het concrete geval van hun bouwplan. Hiertoe kan het schetsontwerp worden ingediend bij het team Bouwen en Wonen. Het vooroverleg met de welstandscommissie kan pas starten nadat duidelijkheid bestaat over de planologische aan-vaardbaarheid van het plan. Omdat het vooroverleg diep kan ingrijpen in de planontwikkeling moet het met de nodige waarborgen worden omgeven.
Ook tijdens het vooroverleg moet de kwaliteit van het aangeleverde materiaal een goed beeld geven van het plan en de relatie met de omgeving. De welstandscommissie kan zich een goed oordeel vormen als de volgende zaken worden aangeleverd: situatieschets inclusief aanslui-tende terreinen (minimaal schaal 1:1000), foto’s van de bestaande situatie en de omgeving, bij verbouwingsplannen tevens schetsen van bestaande plattegronden, doorsneden en gevelaan-zichten (minimaal schaal 1:100). Bij grote projecten kan de welstandscommissie een werkma-quette van het bouwwerk en zijn omgeving vragen om de schaal en massa te kunnen beoorde-len.
Het schetsplan wordt geregistreerd, gedateerd en krijgt een dossiernummer. In afwachting van de verdere ontwikkelingen van het plan wordt met een preadvies/welstandsvolgformulier verslag uitgebracht van het vooroverleg en worden eventueel gemaakte afspraken vastgelegd. Op deze wijze wordt zorggedragen voor een goede verslaglegging en een consistente advisering in alle planfasen. Op verzoek van de opdrachtgever kan dit overleg achter gesloten deuren plaatsvinden. De opdrachtgever dient deze wens bij het college van burgemeester en wethou-ders kenbaar te maken. Indien de aanvrager niet akkoord gaat met het advies over het plan kan de portefeuillehouder op verzoek van de aanvrager elders een tweede advies inwinnen.
9.2.5 Supervisie/relatie welstandscommissie
De gemeente kan voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen) gebieden een supervisor aanstellen met als taak de ruimtelijke kwaliteit te stimuleren en initiatiefnemers in de vroege planvor-mingsfasen reeds te informeren en te begeleiden. Om misverstanden te voorkomen, is het van belang de relatie tussen de planbegeleiding door de supervisor en de uiteindelijke welstands-beoordeling door de welstandscommissie vooraf schriftelijk vast te leggen.
Bij het aanstellen van een supervisor zullen de betrokken afdelingen van de gemeente zorgdra-gen voor een heldere taakomschrijving en een goede afstemming tussen stedenbouwkundige supervisie en welstandsbeoordeling. Dorp Stad en Land kan de gemeente adviseren over de verschillende rollen en taken van een supervisor in relatie tot welstandstoezicht.
Zie bijlage m.b.t. supervisor in relatie tot welstandscommissie.
Bijlage 2: Begrippenlijst
Aanbouw: een grondgebonden toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een hoofdgebouw; deze toevoeging heeft een directe verbinding met dit hoofdgebouw; de toevoeging is in bouwkundig opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
Aangekapt: met kap bevestigd aan dakvlak.
Aardtinten: roodbruine tinten.
Achterkant: de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of openbaar groen.
Afdak: dak dat is aangebracht tegen een muur of gebouw om tegen neerslag te beschermen.
Afstemmen: in overeenstemming brengen met.
Antennedrager: antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.
Antenne-installatie: installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
Asymmetrische kap: zadeldak met twee ongelijke dakvlakken.
Authentiek: Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.
Bebouwing: één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.
Bedrijfsbebouwing: gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen, hebben meestal een utilitair karakter.
Behouden: handhaven, bewaren, in stand houden.
Belendend: naastgelegen, (direct) grenzend aan.
Beschermd stads-
of dorpsgezicht: gebied dat vanwege de ruimtelijke of cultuurhistorische waarde is aan-gewezen tot beschermd gebied krachtens de Monumentenwet 1988
Bestemmingsplan: door de gemeenteraad vastgesteld plan als bedoeld in artikel 10 WRO waarin gebruik van grond en bebouwingsvoorschriften zijn vastgelegd.
Bestrating: verharding zoals straatstenen of tegels.
Bijgebouw: een gebouw, dat in bouwkundig en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en ten dienste staat van dat hoofdgebouw; een bijgebouw kan zowel vrijstaand zijn als niet-vrijstaand (aange-bouwd) zijn; een bijgebouw heeft geen directe verbinding met het hoofdgebouw.
Blinde muur / gevel: gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.
Boeiboord: opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
Boerderij: gebouw of gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij behorende woonhuis.
Bouwblok: een aan alle zijden door straten, wegen of groen begrensde groep ge-bouwen, die een stedenbouwkundige eenheid vormt.
Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of ver-anderen of het vergroten van een bouwwerk.
Bouwlaag: verdieping van een gebouw.
Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het bestemmings-plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.
Bouwvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid van de Woningwet.
Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
Bovenbouw: het bovendeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de schui-ne kap van een huis met de daarbij behorende kopgevels.
Buitengebied: buiten de bebouwde kom gelegen gebied, ook wel landelijk gebied genoemd.
Bungalow: meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.
Buurtschap: verzameling woningen of boerderijen buiten de bebouwde kom.
Conformeren: zich voegen naar, gelijkvorming maken, aanpassen aan, afstemmen op.
Context: omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken.
Contrasteren: een tegenstelling vormen.
Dak: afdekking van een gebouw, vlak of hellend dak, waarop dakbedekking is aangebracht.
Dakbedekking: materiaal en constructie waarmee een dakvlak is afgedekt om te voor-komen dat er water binnenkomt.
Dakbeschot: bedekking van een kap, bestaande uit planken of delen, die over de gordingen of de daksparren zijn aangebracht.
Dakhelling: de hoek van het dak.
Dakkapel: uitbouw op een hellend dakvlak.
Dakopbouw: een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.
Daknok: hoogste punt van een schuin dak. Horizontale snijlijn van twee dak-vlakken, de hoogste lijn van het dak.
Dakraam: raam in een hellend vlak.
Dakvlak: een vlak van het dak/kap.
Dakvoet: laagste punt van een schuin dak. Het snijpunt van de daklijn en de onderliggende gevellijn.
Damwandprofiel: metalen beplatingsmateriaal met een damwandprofilering.
Detail: ontmoeting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.
Detaillering: uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen cq aansluitin-gen.
Diversiteit: verscheidenheid, afwisseling, variatie.
Ensemble: architectonische en stedenbouwkundige compositie van meerdere panden.
Erf: al dan niet bebouwd perceel of gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en , voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt.
Eerste verdieping: tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen.
Erker: kleine toevoeging van ten hoogste één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, meestal uitgevoerd in hout en glas.
Flat: groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De apparte-menten in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.
Galerij: gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.
Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Geleding: verticale of horizontale indeling van de gevel door middel van insprin-gingen.
Gepotdekseld: horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspron-kelijk houten planken).
Gevel: buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de plaats de voor-, zij- of achtergevel).
(Gevel)geleding: onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, inspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen.
Goot: waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak.
Gootklos: in de muur bevestigd stuk balk te ondersteuning van een goot.
Gootlijn: veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.
Groengebied: gebied met veel beplanting zoals parken, plantsoenen, sportterreinen en natuurgebieden.
Hoekaanbouw: grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw.
Hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetin-gen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
Hoogbouw: gebouwen van meer dan vier lagen.
Individueel gebouw: zelfstandig, op zichzelf staand gebouw.
Industriegebied: gebied bestemd voor de vestiging van industrie.
Installatie: set van elektrische beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf.
Kap: samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbe-dekking draagt.
Kavel: grondstuk, kadastrale eenheid.
Kern: centrum van een dorp of stad.
Kop: in het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld een gebouw.
Laag: zie bouwlaag.
Laagbouw: gebouwen van één of twee lagen.
Landelijk gebied: zie buitengebied.
Latei: draagbalk boven gevelopening.
Lessenaarsdak: dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.
Lijst: een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bo-venzijde van een gevel.
Lint: langgerekte weg met daarlangs bebouwing.
Luifel: een plat uitgebouwd afdak, vaak boven een deur.
Maaiveld: bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht.
Mansardekap: dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bo-venste deel waardoor ene geknikte vorm ontstaat.
Markies: opvouwbaar zonnescherm.
Massa: volume van een gebouw of bouwdeel.
Metselverband: het zichtbare patroon van metselwerk.
Middenstijl: verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.
Monument: aangewezen onroerend goed als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenveror-dening voorzover aanwezig op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerp van deze welstandsnota.
Muurdam: penant, gedeelte van een muur tussen twee openingen (vensters of deuren) waarvan de hoogte groter is dan de breedte.
Negge: het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn.
Nok: horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.
Niet-vrijstaand
bijgebouw: aan-, uitbouw, bijgebouw en/of overkapping voorzover deze verbon-den is met het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie of afme-ting ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
Onderbouw: het onderdeel van een gebouw, heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met een zadeldak.
Ondergeschikt: voert niet de boventoon.
Ontsluiting: de toegang tot een terrein of een gebouw.
Oorspronkelijk: origineel, aanvankelijke vorm, authentiek.
Oorspronkelijke
gevel: gevel van een gebouw zoals deze oorspronkelijk (ten tijde van de ople-vering van het gebouw) was.
Openbaar groen: met het openbaar groen wordt bedoeld hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bossage of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen.
Oriëntatie: de richting van een gebouw.
Overstek: bouwdeel dat vooruit steekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
Paneel: rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting.
Parcellering: indeling in percelen.
Penant: gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw. Gedeelte van een gevel tussen twee openingen (vensters of deuren) waarvan de hoogte groter is dan de breedte.
Pilaster: weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen.
Plaatmateriaal: bouwmateriaal dat in plaatvorm geleverd wordt, zoals hout (triplex en multiplex), kunststof (o.a. trespa) of staal (vlak of met profiel).
Planmatige bebouwing: groep gebouwen herkenbaar uitgevoerd volgens een vooraf opge-steld stedenbouwkundig c.q. architectonisch plan.
Plasticiteit: ruimtelijkheid in de gevel, uitspringende of diepliggende vormen of kozijnen geven meer plasticiteit aan een gevel.
Plint: een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.
Portiek: gemeenschappelijk trappenhuis.
Renovatie: vernieuwing van een gebouw.
Rijtjeshuis/woning: huis als onderdeel van een reeks aaneengebouwde, gelijkende wo-ningen.
Rollaag: horizontale rij stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.
Sanering: herinrichting door middel van sloop en vervangende nieuwbouw.
Schilddak: dak met vier hellende vlakken waarvan twee grote en twee kleine vlak-ken.
Schuur: bijgebouw ten behoeve van opslag.
Slagenlandschap: een landschap met langgerekte ontginningslinten met haaks daarop een stelsel van smalle kavels gescheiden door afwateringssloten.
Speklaag: lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk Oor-spronkelijk van natuursteen, later ook van kunststeen of beton.
Situering: de plaats van een bouwwerk in zijn omgeving.
Stads- en
dorpsvernieuwing: maatregelen voor de verbetering of vervanging van bebouwing en de openbare ruimte daaromheen.
Tactiel: met de tastzin verbonden.
Textuur: de voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de onef-fenheden van de steen en het voegwerk).
Uitbouw: een grondgebonden vergroting van een bestaande ruimte behorende tot het hoofdgebouw; deze vergroting heeft een directe verbinding met dit hoofdgebouw; de vergroting is in bouwkundig opzicht onderge-schikt aan het hoofdgebouw.
Voorgevelrooilijn: langs de wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatige beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft.
Voorkant: de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een ge-bouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een ge-bouw voor zover die zijde direct grenst aan de weg of openbaar groen.
Windveer: plank aan weerskanten van een pannendak, bevestigd langs de buiten-ste rij pannen.
Zadeldak: dak met twee tegenovergestelde dakvlakken die bij de nok samenko-men.
Bijlage 3: Monumentenlijst
Gemeentelijke monumentenlijst
Adres Monument
Plaats
Achterweg 003
POORTUGAAL
Achterweg 009
POORTUGAAL
Achterweg 011
POORTUGAAL
Achterweg 015
POORTUGAAL
Achterweg 015A
POORTUGAAL
Achterweg 021
POORTUGAAL
Achterweg 028
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 010
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 014
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 016
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 070
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 076
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 078
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 080
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 082
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 084
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 086
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 088
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 090
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 092
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 094
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 096
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 098
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 100
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 102
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 106
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 059
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 061
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 063
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 065
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 067
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 069
POORTUGAAL
Albrandswaardsedijk 071
POORTUGAAL
Dorpsstraat 012
POORTUGAAL
Dorpsstraat 016
POORTUGAAL
Dorpsstraat 026
POORTUGAAL
Dorpsstraat 032
POORTUGAAL
Dorpsstraat 034
POORTUGAAL
Dorpsstraat 054
POORTUGAAL
Dorpsstraat 070
POORTUGAAL
Dorpsstraat 080
POORTUGAAL
Dorpsstraat 015
POORTUGAAL
Dorpsstraat 015a
POORTUGAAL
Dorpsstraat 025
POORTUGAAL
Dorpsstraat 027
POORTUGAAL
Dorpsstraat 053
POORTUGAAL
Dorpsstraat 055
POORTUGAAL
Emmastraat 009
POORTUGAAL
Kerkachterweg 001
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 008
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 012
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 014
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 038
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 040
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 042
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 005
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 015
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 039
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 041
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 047
POORTUGAAL
Slot Valkensteinsedijk 005
POORTUGAAL
Slot Valkensteinsedijk 031
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 016
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 018
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 024
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 026
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 015
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 017
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 023
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 025
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 007
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 009
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 008
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 010
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 012
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 014
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 020
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 022
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 028
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 030
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 011
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 013
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 019
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 021
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 032
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 034
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 036
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 038
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 040
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 042
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 027
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 031
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 033
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 035
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 037
POORTUGAAL
Dr. W. Vosstraat 039
POORTUGAAL
Welhoeksedijk 002
POORTUGAAL
Welhoeksedijk 036
POORTUGAAL
Welhoeksedijk 035
POORTUGAAL
Welhoeksedijk 037
POORTUGAAL
Achterdijk 009
RHOON
Achterdijk 011
RHOON
Dorpsdijk 010
RHOON
Dorpsdijk 014
RHOON
Dorpsdijk 018
RHOON
Dorpsdijk 020
RHOON
Dorpsdijk 022
RHOON
Dorpsdijk 024
RHOON
Dorpsdijk 030
RHOON
Dorpsdijk 050
RHOON
Dorpsdijk 049
RHOON
Dorpsdijk 055
RHOON
Dorpsdijk 094
RHOON
Dorpsdijk 112
RHOON
Dorpsdijk 116
RHOON
Dorpsdijk 118
RHOON
Dorpsdijk 168
RHOON
Dorpsdijk 208
RHOON
Dorpsdijk 195 en hoger
RHOON
Dorpsdijk 236
RHOON
Dorpsdijk 232
RHOON
Dorpsdijk 234
RHOON
Dorpsdijk 240
RHOON
Dorpsdijk 248
RHOON
Dorpsdijk 127
RHOON
Dorpsdijk 213
RHOON
Essendijk 004
RHOON
Essendijk 024
RHOON
Graaf Bentincklaan 015
RHOON
Kerklaan 002
RHOON
Kerklaan bij 002
RHOON
Korteweg 004
RHOON
Molendijk 048
RHOON
Molendijk 053
RHOON
Nieuweweg 007
RHOON
Nieuweweg bij 021
RHOON
Omloopseweg 006
RHOON
Oud Rhoonsedijk 061
POORTUGAAL
Oud Rhoonsedijk 063
POORTUGAAL
Oudeweg 001
RHOON
Parallelstraat 013
RHOON
Rhoonsedijk 030
POORTUGAAL
Rijsdijk 048
RHOON
Rijsdijk 096
RHOON
Rijsdijk 098
RHOON
Rijsdijk 013
RHOON
Rijsdijk 017
RHOON
Rijsdijk 019
RHOON
Rijsdijk 023
RHOON
Rijsdijk 033/35
RHOON
Rijsdijk 037
RHOON
Rijsdijk 061
RHOON
Rijsdijk 099
RHOON
Rijsdijk 101
RHOON
Rijsdijk 131
RHOON
Slotsedijk 190
RHOON
Slotsedijk 099
RHOON
Tijsjesdijk 069
RHOON
Varleweg 006
POORTUGAAL
Veerweg bij 002
RHOON
Veerweg 004
RHOON
Veerweg 007
RHOON
Het Weegje 003
RHOON
Dr. W. Vosstraat 029
POORTUGAAL
Kerkstraat 005
POORTUGAAL
Kerkstraat 007
POORTUGAAL
Kerkstraat 009
POORTUGAAL
Kerkstraat 031
POORTUGAAL
Kijveland 001
POORTUGAAL
Kijvelandse Havendijk
POORTUGAAL
F. v.d. Poest Clementlaan 018
POORTUGAAL
Slotsedijk 199
RHOON
Kerkstraat 001
POORTUGAAL
Kerkstraat 003
POORTUGAAL
Rhoonsedijk 066
POORTUGAAL
Gemeentelijke monumentenlijst Buitengebied
Adres Monument
Plaats
Achterdijk 009
RHOON
Achterdijk 011
RHOON
Essendijk 004
RHOON
Essendijk 024
RHOON
Korteweg 004
RHOON
Nieuweweg 007
RHOON
Nieuweweg bij 021
RHOON
Omloopseweg 006
RHOON
Oudeweg 001
RHOON
Rijsdijk 104
RHOON
Rijsdijk 101
RHOON
Rijsdijk 109
RHOON
Rijsdijk 131
RHOON
Veerweg bij 002
RHOON
Veerweg 004
RHOON
Veerweg 007
RHOON
Het Weegje 003
RHOON
Bijlage H4.3 Karakteristiek dorpsgezicht Poortugaal en Rhoon
Kwaliteit in de dorpskern december 2009.
H4.3 Karakteristiek dorpsgezicht – Poortugaal en Rhoon.
In de historische kernen van Rhoon en Poortugaal zijn twee deelgebieden te onderscheiden waar de historische karakteristiek dermate hoog gewaardeerd wordt dat de gemeente deze extra wil be-schermen. In Rhoon betreft het de bebouwing langs de Dorpsdijk (huisnummer 8-50 en 55-65) en in Poortugaal betreft het bebouwing aan de Dorpsstraat, Kikkerstraat, Emmastraat en gedeeltelijk de F. van de Poest Clementlaan.
Waardering.
De bovengenoemde bebouwing in de dorpskernen van Poortugaal en Rhoon is gevarieerd en vormt toch een eenheid. Wat de panden bindt is ondermeer hun individualiteit. Een eigenheid die voor het grootste deel spontaan is ontstaan dankzij de perceelsgewijze bebouwing, de ambachtelijke bouwwij-ze, het streekgebonden kleur- en materiaalgebruik en de loop der tijd. Verspreid over meerdere eeu-wen zijn van diverse periodes visitekaartjes in de dorpsstructuur gerealiseerd.
Karakteristiek dorpsgezicht, kritisch regionalisme.
De gemeente stuurt middels haar beleid aan op een instandhouding en versterking van de histori-sche karakteristiek. De karakteristiek van de oorspronkelijke bebouwing (met een overwegend dorp-se, en incidenteel bijna kleinstedelijke, historische uitstraling) vormt het uitgangspunt, c.q. de richt-lijn, voor nieuwe ontwikkelingen en nieuwe plannen. Het is van belang zorg te dragen voor een dorp-se en vriendelijke uitstraling met een argeloze en ontspannen opzet. Nieuwbouw dient zich naadloos te voegen binnen de bestaande ‘historische’ context.
Nb: Een en ander geeft bij een letterlijke interpretatie mogelijk aanleiding tot historiserend bouwen, en zo is het in principe ook bedoeld, echter een meer eigentijdse bouw wordt niet bij voorbaat uitge-sloten, maar er ligt dan wel een grote bewijslast bij de ontwerper, er wordt gevraagd om een juiste en een zorgvuldige interpretatie van de oorspronkelijke karakteristiek.
Ruimtelijke kwaliteitsaspecten
Bouwwerken worden beoordeeld op zichzelf en in relatie tot de omgeving.
Het bouwwerk op zichzelf. Bebouwing in het historisch gebied mag zich duidelijk onderscheiden van naastliggende panden mits dat gepaard gaat met een overtuigende individuele kwaliteit. Ingetogen-heid is daarbij nodig, de omgeving dient niet overstemd te worden. De volumeopbouw respecteert het veelal aanwezige onderscheid van voorhuis, achterhuis, nevenbebouwing e.d. De detaillering dient uitgesproken zorgvuldig te zijn, de materiaalkeuze hoogwaardig en van duurzame kwaliteit. Kleur en textuur ondersteunen het fijnkorrelige karakter.
In relatie tot de omgeving. De variatie in architectonische expressie is vanwege de perceelsgewijze bebouwing en de verschillende stijlperiodes heel ruim. Daarom wordt vooral gelet op de kwaliteit die op het perceel zelf wordt geleverd en hoe die zich verhoudt tot de kenmerken van het historische weefsel als geheel.
Welstandsniveau.
Voor het Karakteristiek dorpsgezicht is het hoogste welstandsniveau van toepassing. In Poortugaal betreft het het gearceerde deelgebied binnen de gebieden H4.1 en H6.2 en in Rhoon het gearceerde deelgebied binnen de gebieden H4.2, G1 en G6.1 (zie ook de typologiekaart en bijgaande kaartaf-beeldingen).
Criteria.
Voor het karakteristieke dorpsgezicht gelden aparte criteria. In de onderstaand tabel zijn deze ge-biedsgerichte criteria aangegeven. De gebiedsbeschrijving dienen samen met de criteria bedoeld als bron van inspiratie en richtlijn voor alle bouwactiviteiten en reclame binnen deze deelgebieden (ver-bouw, uitbreidingen, nieuwbouw, reclame-uitingen, naamsaanduidingen, inrichting van de openbare ruimte e.d.).
Hardheidsclausule
De criteria gelden in de meest voorkomende gevallen. Uitzonderingen op de criteria worden niet uit-gesloten. Echter, er ligt dan wel een bewijslast bij de ontwerper (de commissie kan wanneer deze bewijslast is geleverd een motivatie opstellen waarom de gemeente in dit geval af zou kunnen wijken van het door haar vastgestelde beleid).
Specifieke welstandscriteria voor het Karakteristiek dorpsgezicht
•De specifieke criteria voor het Karakteristiek dorpsgezicht gelden aanvullend op de gebiedscriteria uit de welstandsnota van de gemeente Albrandswaard. Bij strijdigheid tussen deze criteria prevaleren de specifieke criteria voor het Karakteristiek dorpsgezicht.
Algemeen
•De bouwmassa, gevelopbouw en gevelcompositie zijn evenwichtig en harmoniëren met het dorpse, streekeigen en historische gegroeide karakter van het gebied.
•De situering en het uiterlijk met betrekking tot de hoofdvorm, de architectonische uitwerking en het kleur en materiaalgebruik zijn op alle schaalniveaus zorgvuldig afgestemd op omgeving en het dorpse, traditionele, streekeigen en historische gegroeide karakter van het gebied, het dorpse karakter van het gebied dient te worden behouden en waar nodig te worden versterkt.
•De massa en gevelopbouw is traditioneel, evenwichtig en verzorgd.
•Aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en dakkapellen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
•Geen volledige woonlagen met woonkamers in de kap daar dit leidt tot een te zware aantasting van de kap.
Hoofdvorm
•Overwegend 1 tot 1½ bouwlaag met een eenduidige traditionele kap. Incidenteel 2 bouwlagen met een kap, afhankelijk van de functie of positie van het gebouw.
Architectonische uitwerking en gevelaanzichten
•De gebouwen zijn individueel en afwisselend en hebben een grondgebonden karakteristiek (voordeuren aan de straat, of zichtbaar vanaf de straat).
Detaillering, kleur- en materiaalgebruik
•De detaillering, materialen en de kleuren zijn traditioneel, en het kleurgebruik terughoudend en gedekt.
•De hoofdkleurtoon en het overwegend materiaalgebruik harmoniëren met de omliggende bebouwing, c.q. het straatbeeld, en zijn afgestemd op oorspronkelijke karakteristiek van de historisch gegroeide omgeving.
•Gevels van de hoofdgebouwen zijn in hoofdzaak uitgevoerd in een streekeigen baksteen (donkere rode stenen en of IJsselsteentjes) en afhankelijk van het gebouwtype voorzien van een trasraam of gepleisterde of hardsteen plint.
•Incidenteel (afhankelijk van het straatbeeld en het gebouwtype en de rangorde van het gebouw) zijn gebouwen voorzien van een streekeigen pleisterwerk in een gedekte grijze tint (bv met een blokmotief)
•Gevels van bijgebouwen, schuren en de achterzijden van boerderijen (het schuurdeel) zijn van baksteen (donkere rode stenen en of IJsselsteentjes) of hout (horizontale gepotdekselde zwartgrijze delen).
•Hellende daken zijn voorzien van gebakken gesmoorde, niet geglazuurde, pannen. De grotere streekeigen boerderijen/schuren kunnen ook worden voorzien van (natuurlijk) riet;
•Accenten: natuursteen, pleisterwerk.
Inrichting van het erf en de openbare ruimte
•De inrichting van het erf en de openbare ruimte is argeloos en ontspannen en dient zorgvuldig te worden afgestemd op de dorpse karakteristiek, daar deze erg bepalend voor de uiteindelijke ruimtelijke kwaliteit en de beleving door de bewoners (de terreininrichting en erfbeplanting is onderdeel van het ontwerp).
•Parkeergelegenheid dient zover mogelijk collectief te zijn en achter op het erf te worden gesitueerd.
•Erfafscheidingen zijn streekeigen, de inrijpoort en de toegang tot het erf eenvoudig houden, in overeenstemming met het karakter van het gebouw en de omgeving.
Poortugaal
Poortugaal
Rhoon.
Rhoon
Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor het Karakteristiek Dorpsgezicht
•De gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor het Karakteristiek Dorpsgezicht gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria, de sneltoetscriteria van het gebied en de criteria voor reclame-uitingen uit de welstandsnota van de gemeente Albrandswaard. Bij strijdigheid tussen deze criteria prevaleren de gebiedsgerichte criteria van het Karakteristiek Dorpsgezicht.
Type bouwwerk
Criteria
Algemeen, alle kleine, licht-vergunningsplichtige bouwwerken
•Wijzigingen en toevoegingen/ de nieuwe bouwwerken zijn qua situering, stijl, maat, schaal, detaillering, materiaal en kleur zorgvuldig afgestemd op het hoofdgebouw, de oorspronkelijke dorpse karakteristiek, de functie en de omgeving.
•De gevelcompositie, de massaopbouw de architectonische uitwerking, de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel, evenwichtig en verzorgd op alle schaalniveaus.
•Bij aanpassingen aan gebouwen blijft de hoofdvorm van het gebouw duidelijk herkenbaar.
•Wijzigingen en toevoegingen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
Aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen aan de voorkant en aan de achterkant
•Een te monotoon beeld van grote of teveel aaneengeschakelde plat afgedekte aanbouwen dient te worden voorkomen, dit kan bv. door na een eerste aanbouwzone met een plat dak over te gaan naar een aanbouw met een 1-duidige op de omgeving afgestemde kap (althans wanneer het bestemmingsplan dit mogelijk maakt).
Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant
•Bij een vloeroppervlak van meer dan 10 m2 het bijgebouw in principe afdekken met een kap (i.h.a. een zadeldak met een dakhelling tussen de 45 en 55 graden of met een zorgvuldig op de omgeving en op het hoofdgebouw afgestemde 1-duidige kap).
Dakkapellen
•Dakkapellen zijn een ondergeschikte toevoeging aan het dakvlak.
•Dakkapellen in maatvoering minimaliseren en afstemmen op de architectuur van het hoofdgebouw.
•Op het voor- en zijdakvlak: Gezamenlijke breedte van de dakkapellen maximaal een derde (⅓) van de breedte van het betreffende dakvlak en met een maximale breedtemaat van 2,10 meter per dakkapel.
•Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met hoofdbebouwing essentieel.
•Plaatsing minimaal 50 cm. uit de dakvoet en minimaal 50 cm. vanaf de randen van het dakvlak en minimaal 1, 00 meter uit de hoek- en kilkepers, en bij voorkeur minimaal 1,00 meter onder de nok.
•Plaatsing laag in het dakvlak, dakkapellen kunnen de gootlijn raken als dit geen afbreuk doet aan de architectuur van de gevel.
•Dakkapellen en dakramen horizontaal lijnen.
•Staande kozijnen met een staande kozijnindeling vormen het uitgangspunt . Dakkapellen en dakramen zijn verticaal georiënteerd.
•Dakkapellen zijn zorgvuldig afgestemd op de bouwstijl van het gebouw. De zijwangen zijn bekleed met zink of horizontale houten delen in een donkere en gedekte kleur.
•Geen dakkapellen op aanbouwen, bijgebouwen en schuren of op het oorspronkelijke schuurdeel van een (voormalige of bestaande) boerderij.
Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor het Karakteristiek Dorpsgezicht
•De gebiedsgerichte sneltoetscriteria gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.
•Bij strijdigheid prevaleren deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria boven de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.
Erfafscheidingen
•Uitsluitend erfafscheidingen in metselwerk, begroeiing/ hagen of houten of ijzeren hekwerken, passend bij de karakteristiek van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte
•Erfafscheidingen zijn zorgvuldig afgestemd op de omgeving en het bijbehorende hoofdgebouw, er kan hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan smeedijzeren hekwerken in een donkere en gedekte kleur, gemetselde tuinmuren met penanten of gemetselde penanten met daartussen een veelal meer open invulling in hout of ijzerwerk geschilderd in een donkere en gedekte tint (bv. donkergroen met eventueel witte accenten).
•Natuurlijk streekeigen beplanting en groen geniet de voorkeur (Nb.: niet bouwvergunningsplichtig).
Externe technische installaties
•Externe technische installaties
•Externe technische installaties (airconditioningunits, windturbines, schotels, antennes, etc.) niet toepassen in het geval van monumenten.
•Uit het zicht aan de achterkant en geïntegreerd in het ontwerp.
Reclame-uitingen en naamsaanduidingen
•Reclame-uitingen zijn qua plaats, maat en uitvoering zorgvuldig afgestemd op het gebouw, de omgeving en de dorpse karakteristiek.
•Reclame-uitingen beperken tot het hoogst noodzakelijke (maximaal 2 per erf)
•Reclame-uitingen mogen de architectuur van het gebouw en de omgeving niet overheersen.
•Reclame-uitingen evenwijdig aan de gevel in open letters.
•Geen lichtbakken.
Reclame-uitingen in beschermde gezichten
Materialen uit de omgeving ter inspiratie