Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard
gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en de Verordening op de Jeugdhulp Albrandswaard 2026,
besluit:
vast te stellen de navolgende Beleidsregels Jeugdhulp Albrandswaard 2026.
1. Afwegingskader Jeugdhulp
1.1 Algemeen afwegingskader
1.1.1. Normaliseren
In het onderzoek staat centraal wat de oorzaak achter de vraag is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen ‘normaal’ zijn. Voor normaliseren geldt:
•Kwetsbaarheid, problemen en ‘gedoe’ horen bij het leven. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost.
•Het is normaal dat kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen.
•Het uitgangspunt is de acceptatie van de jeugdhulpvraag te vergroten of de beperking door ouders te verkleinen, door het versterken van opvoedvaardigheden en de kennis over opvoeden.
•Er wordt rekening gehouden met de context. Dit betekent dat het gezinssysteem onderdeel is van de beoordeling van de hulpvraag en er naar de omgeving van de ouders en jeugdige wordt gekeken.
Als het gaat om de inzet van een individuele voorziening gelden de volgende uitgangspunten rondom normaliseren:
•Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van algemene en andere voorzieningen die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen. Dit geldt ook voor kinderen met een jeugdhulpvraag.
•De Jeugdwet is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen waar deze in gevaar komt en niet voor de bevordering van de algemene ontwikkeling die elke jeugdige doormaakt.
•Begeleiding wordt in principe alleen ondersteunend aan of volgend op een behandeling ingezet. De behandelcomponent kan onderdeel zijn van de begeleiding. Uitzondering hierop zijn hulpvragen waarvoor geen behandeling mogelijk is en begeleiding de meest adequate oplossing is voor de jeugdige.
De ontwikkelingsleeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde opgaven in de opvoeding. Er wordt een onderscheid gemaakt in ‘normale’ problemen die behoren bij de levensfase en ernstige problemen. De ontwikkelingsleeftijd van een jeugdige kan variëren door een aandoening of stoornis. Dit betekent dat wanneer een jeugdige op een jongere ontwikkelingsleeftijd functioneert door een aandoening of stoornis de ‘normale’ problemen van die ontwikkelingsleeftijd ook als gewoon worden beschouwd, ondanks een hogere kalenderleeftijd.
1.2 Eigen verantwoordelijkheid en probleemoplossend vermogen
1.2.1 Onvoldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Het kan zijn dat het ouders op het moment van onderzoek niet lukt om alle hulp zelf te bieden. Het kan zijn door overbelasting (niet samenhangend met de zorg aan het kind), door werk, door gebrek aan vaardigheden, door eigen problematiek, etc.
Wat hebben ouders nodig om het wel te kunnen, of om meer te kunnen bieden?
Hierin wordt in ieder geval verwacht van ouders dat zij, waar mogelijk;
•Oorzaken van overbelasting wegnemen
•Zorgverlof en andere soorten verlof inzetten
•Werktijden en aantal werkuren per week aanpassen, indien mogelijk
•Trainingen of cursussen volgen om opvoedvaardigheden, in relatie tot de problematiek, te vergroten
•Gebruik maken van opvangmogelijkheden van de Wet kinderopvang
•Hun sociale netwerk inzetten en proberen te vergroten indien nodig
•Hun kind voltijds onderwijs laten volgen en ook op aansturen bij school
•Werken aan het verminderen van eigen problematiek door gebruik te maken van algemene voorzieningen, preventief aanbod of voorzieningen uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), en/of zorgverzekeringswet
Als de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder, bijv. vanwege lichamelijke beperking, psychosociale problematiek of financiële problematiek, dan hoort de ondersteuning van de ouder onder andere wetgeving of algemene voorzieningen, ook als de jeugdige een beperking heeft.
Specialistische opvang van een jeugdige kan wel jeugdhulp zijn wanneer er sprake is van problematiek die ervoor zorgt dat er geen reguliere opvangplek mogelijk is en ouders (en netwerk) al hun opties hebben onderzocht en benut, maar dit nog onvoldoende oplossing biedt. Reguliere opvang is vaak niet mogelijk wanneer een jeugdige specialistische (1-op-1) begeleiding vraagt door gedrag, een beperking of stoornis. In die gevallen kan er aanvullend jeugdhulp nodig zijn op een reguliere opvang, of volledig specialistische opvang.
Op het moment dat ouders aangeven overbelast te zijn, of wanneer er op basis van het onderzoek twijfel is over de draagkracht en belastbaarheid van ouders, wordt de belastbaarheid gemeten via een gevalideerd instrument, of wordt een deskundige geraadpleegd die in staat is om de belastbaarheid te beoordelen (onafhankelijk medisch advies).
Voorbeelden van gevalideerde meetinstrumenten zijn: OBVL (opvoedbelasting vragenlijst), CSI (Caregiver Strain Index), EDIZ (Ervaren Druk Informele Zorg), etc.
Het wordt niet van ouders verwacht dat zij alle zorg en ondersteuning alleen bieden wanneer een jeugdige aangewezen is op 24 uur toezicht en hulp, maar (nog) geen aanspraak kan maken op de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz). Indien er onvoldoende netwerk of overige voorzieningen beschikbaar zijn, dan kan het inzetten van jeugdhulp een oplossing zijn om overbelasting van ouders te voorkomen.
2. Voorliggende en andere voorzieningen
2.1. Algemene voorzieningen
2.1.1 Preventie
Een belangrijk doel van de Jeugdwet is het voorkomen van problemen en door vroegtijdige inzet van hulp zwaardere vormen van jeugdhulp te voorkomen. Het versterken van de veerkracht/samenredzaamheid van de samenleving, zodat mensen verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun eigen welzijn en dat van anderen.
Preventie richt zich op jeugdigen en ouders met een verhoogd risico op ontwikkelingsachterstand of uitval. Preventie valt onder de algemene voorzieningen en is daarmee voorliggend op een individuele voorziening uit de Jeugdwet.
2.1.2 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Een algemeen gebruikelijke voorziening is voorliggend aan een individuele voorziening en voldoet aan de volgende criteria. De voorziening:
•is niet speciaal bedoeld voor personen met een beperking;
•is verkrijgbaar in de reguliere handel;
•levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de jeugdige in staat is tot het gezond opgroeien en zelfredzaamheid;
•kan financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau op grond van algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen.
Onder algemeen gebruikelijke voorzieningen hoort ook het algemeen gebruikelijk onderhoud. Dit zijn situaties waarbij de kosten voor onderhoud en reparatie als gangbaar kunnen worden beschouwd en horen bij het gebruik van deze voorzieningen.
2.4 Passend onderwijs
2.4.1 Algemeen
Om te bepalen of er jeugdhulp noodzakelijk is op school is er in alle gevallen eerst een Ontwikkelperspectief Plan (hierna: OPP) nodig. Deze wordt door school opgesteld en ouders moeten akkoord gaan met het handelingsdeel uit het OPP.
School is verplicht om bij elke leerling een OPP op te stellen wanneer er extra ondersteuning nodig is, ook in het regulier onderwijs. In dit OPP moet minimaal opgenomen zijn:
•de verwachte uitstroombestemming van de leerling;
•de onderbouwing van de verwachte uitstroombestemming van de leerling (met in elk geval een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren);
•een beschrijving van de te bieden ondersteuning en begeleiding en - indien aan de orde - de afwijkingen van het (reguliere) onderwijsprogramma (handelingsdeel).
Zonder OPP kan er geen jeugdhulp worden ingezet op school, omdat de ondersteuningsbehoefte op school dan niet beoordeeld kan worden.
Op basis van de gestelde resultaten uit het OPP en de benodigde ondersteuning kan worden bepaald of er ook resultaten zijn die gaan over jeugdhulp en niet over het volgen van onderwijs.
Het kan zijn dat doelen tweeledig zijn en alleen deels onder de Jeugdwet vallen. Dan wordt alleen voor dat deel jeugdhulp ingezet.
2.4.2 Vrijstelling
Bij een aanvraag voor jeugdhulp voor een jeugdige die (tijdelijk) niet naar school gaat, moet er sprake zijn van vrijstelling of de aanvraag hiervoor loopt. Zonder vrijstelling, of zonder dat deze in aanvraag is, is er sprake van ongeoorloofd verzuim. Het is dan in de eerste plaats belangrijk dat leerplicht betrokken is/wordt om met ouders in gesprek te gaan over het weer volgen van onderwijs en wat daarvoor nodig is. Indien nodig of gewenst kan het wijkteam, met toestemming van ouders, hierbij aansluiten om mee te denken. Het wijkteam beoordeelt in hoeverre de jeugdige jeugdhulp nodig heeft omdat de oorzaak van het niet (volledig) kunnen volgen van onderwijs komt door specifieke problematiek die onder de jeugdwet valt. Voor dat deel wordt jeugdhulp ingezet.
School moet beoordelen welke vorm van onderwijs kan worden geboden. Opvang op zichzelf, omdat een leerling niet volledig naar school kan is geen jeugdhulp.
3. Toelichting vormen van jeugdhulp
3.1 Criteria vervoer
3.1.2 Afwegingskader vervoer
Om voor vervoer van en naar de jeugdhulplocatie in aanmerking te komen:
•Heeft een jeugdige een indicatie voor een individuele voorziening jeugdhulp; en
•Is sprake van een medische noodzaak dan wel een beperking in de zelfredzaamheid; en
•Is het niet mogelijk om op eigen kracht het vervoer te organiseren. Voor de eigen kracht geldt dat ouders hierin een rol hebben en dat hierbij het OV voorliggend is.
•Voor ouders met een minimuminkomen, waardoor reiskosten niet betaald kunnen worden, is de participatiewet voorliggend; en
•Is er geen andere regeling/voorziening waarvan de jeugdige gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening; en
•Bedraagt de afstand van de verblijfsplaats van de jeugdige tot de jeugdhulpvoorziening meer dan 6 kilometer berekend met de routeplanner van Google Maps via de kortste route. Bij een reisafstand binnen 6 kilometer wordt van ouders wordt verwacht dat zij dit zelf regelen, tenzij er zwaarwegende factoren zijn om hier vanaf te wijken; en
•Vervoer dat onder de Zvw of Wlz valt wordt niet verzorgd vanuit de Jeugdwet.
Ander vervoer van jeugdigen dan naar de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld sociaal recreatief vervoer) valt onder gebruikelijke zorg en eigen kracht. Als dit niet toereikend is dan kan dat vervoer onder de Wmo 2015 vallen, als deze sociale contacten noodzakelijk zijn en het eigen netwerk geen mogelijkheden biedt.
3.1.3 Pgb en vervoer
Er kan geen Pgb voor formeel vervoer worden toegekend. Wanneer de jeugdige in verband met zijn problematiek moet worden begeleid tijdens het vervoer, wordt in eerste instantie van ouders verwacht dat zij zelf, of iemand uit hun netwerk, deze begeleiding bieden. Alleen op hoge uitzondering kan hiervoor een Pgb begeleiding worden toegekend. Dit geldt alleen op het moment dat het kind meereist. Voor een ‘lege’ terugreis wordt geen Pgb verstrekt.
4. Het persoonsgebonden budget
4.2 Kwaliteitscriteria Pgb
4.2.1 Bekwaamheid Pgb-beheerder
De jeugdige en/of ouders moeten in staat zijn het Pgb te beheren. Het beheer kenmerkt zich door het voeren van regie. Dit houdt in dat de beheerder beschikt over de volgende vaardigheden:
•Een goed overzicht van de eigen situatie houden. De Pgb-beheerder weet welke zorg nodig is en kan deze beschrijven.
•Weten welke regels er horen bij een Pgb of weten waar deze te vinden zijn. Het helpt als de Pgb-beheerder digitaal vaardig is.
•Een overzichtelijke Pgb-administratie bijhouden. Onderdeel hiervan is dat de Pgb-beheerder weet welk deel van het Pgb uitgegeven is. Een overzichtelijke Pgb-administratie is niet alleen belangrijk voor de beheerder, maar de administratie kan ook nodig zijn als de gemeente daarom vraagt.
•Communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners. De beheerder moet zelfstandig en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Als er iets verandert, moet de beheerder dat zelf aangeven. Uit de verantwoordelijkheid vloeit ook voort dat de Pgb-beheerder verantwoordelijk is voor het tijdig aanvragen van verlengingen, wijzigingen of de overgang naar andere wetgeving. De Pgb-beheerder is bijvoorbeeld verantwoordelijk om tijdig actie te ondernemen op het moment dat de hulp nog nodig is na het 18e levensjaar.
•Zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen. De Pgb-beheerder moet zelf zorgverleners uitzoeken en afspraken maken over de zorg die ze gaan geven. Onderdeel hiervan zijn het uurtarief en de ureninzet.
•Zelf afspraken maken en deze afspraken bijhouden. De Pgb-beheerder moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Ook moet de beheerder kunnen laten zien dat de zorg wordt ingekocht waarvoor het budget is ontvangen.
•Beoordelen of de zorg uit het Pgb passend is en of de kwaliteit van de zorg in orde is. Als de zorg niet goed is, kan de Pgb-beheerder uitleggen waarom. Als de zorg niet volgens afspraak verloopt, moet de beheerder zelf kunnen ingrijpen.
•Zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners en zorg dragen voor de kwaliteit en continuïteit (bijvoorbeeld bij ziekte van de zorgverlener).
•Zorgverleners aansturen en aanspreken. De beheerder is de werkgever/opdrachtgever van de zorgverlener.
•De beheerder weet wat te doen als werkgever/opdrachtgever van een zorgverlener. Het is niet erg als de beheerder sommige regels over hoe een werkgever/opdrachtgever moet handelen niet kent, maar de beheerder moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden.
Als de jeugdige en/of ouders zelf niet beschikken over de benodigde vaardigheden om het Pgb te beheren, kan in een aantal situaties toch een Pgb worden verstrekt. Zo kan bijvoorbeeld iemand uit het netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger deze rol op zich nemen. Ook kan het zo zijn dat ouders worden gecompenseerd of ondersteund om te beschikken over de vaardigheden. In deze gevallen beoordeelt het team op basis van de individuele situatie of een Pgb toegekend kan worden. Daarbij zijn naast de hierboven genoemde vereisten ook de volgende criteria van belang:
•Er mag geen sprake zijn van een onwenselijke vermenging van rollen, daarmee wordt bedoeld dat het beheer en de uitvoering van het Pgb door dezelfde persoon worden gedaan. Slechts in uitzonderingssituaties is het toegestaan dat het beheer van het Pgb en het uitvoeren van de ondersteuning door één en dezelfde persoon wordt gedaan. De uitzondering is alleen van toepassing bij een informeel Pgb, voor professionele organisaties is deze uitzondering niet mogelijk. Er moet worden gemotiveerd waarom het niet mogelijk is om deze rollen te scheiden.
Criteria waarin aan de dubbelrol in ieder geval getoetst wordt zijn:
o Er is geen andere Pgb-beheerder beschikbaar.
o Een andere zorgverlener is geen optie.
o De kwaliteit van de zorg is gewaarborgd.
•Bewindvoerders zijn wettelijk vertegenwoordigers die kunnen ondersteunen bij met name de financiële en administratieve kant van het Pgb. Als de budgethouder wil dat zijn bewindvoerder het volledige budgetbeheer (dus naast de financiële ook de zorginhoudelijke kant) op zich neemt en de bewindvoerder daarmee akkoord gaat, dan zijn daartegen geen bezwaren. Het is echter geen eis dat een cliënt met een bewindvoerder het volledige budgetbeheer aan zijn bewindvoerder laat. Uit de Jeugdwet volgt dat gedeeltelijke vertegenwoordiging mogelijk moet kunnen zijn.
Let op! De bewindvoerder kan de jeugdige en/of ouder(s) extra kosten in rekening brengen voor dit beheer. Deze kosten worden niet vergoed en mogen niet vanuit het Pgb worden betaald.
•Mentoren zijn wettelijk vertegenwoordigers die taken en beslissingen met betrekking tot verzorging, behandeling, begeleiding en verpleging en dus niet-vermogensrechtelijke handelingen overnemen van betrokkenen. Ook wanneer er sprake is van een Pgb. De mentor vervult geen financiële en administratieve rol. Daarom is een mentor alleen toegestaan als Pgb beheerder als deze aangeeft betrokken te willen zijn bij de financiële en administratieve kanten van de zorg.
4.2.2 Omstandigheden die meespelen in de overweging
Er zijn omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het beheer van een Pgb. In het bepalen of ouders of een jeugdige een Pgb kunnen beheren wordt in ieder geval rekening gehouden met deze omstandigheden. Het beheer van een Pgb wordt in ieder geval geweigerd als blijkt dat op basis van de omstandigheden het Pgb daadwerkelijk niet beheerd kan worden. De hieronder genoemde omstandigheden vormen aanleiding om de Pgb-vaardigheid nader te onderzoeken:
•schuldenproblematiek;
•verslavingsproblematiek;
•aangetoonde fraude, minder dan 4 jaar geleden;
•er eerder misbruik is gemaakt van het Pgb;
•sterke vergeetachtigheid/verstandelijke beperking/psychische stoornis;
•analfabeet of digibeet zijn;
•het leiden van een zwervend bestaan;
•handelingsonbekwaamheid.
In het geval ouders op basis van bovenstaande criteria niet in staat zijn om het Pgb te beheren, kunnen zij eventueel iemand uit het netwerk of een formele Pgb-beheerder of bewindvoerder vragen dit voor hen te beheren. Ook deze persoon wordt getoetst op Pgb-vaardigheid en of deze de verantwoordelijkheid die hoort bij het beheren van het Pgb kan en wil nemen.
4.2.3 Kwaliteitscriteria aanbieder
De kwaliteit van de aanbieder wordt op basis van de volgende punten getoetst:
•Raadplegen van Zorgaanbiedersportaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor controle op registratie en aanwezigheid van inspectierapporten;
•Controle op aanwezigheid recente VOG (niet ouder dan 1 jaar) indien noodzakelijk;
•SKJ of BIG-registratie, inclusief toetsing in het register zelf;
•Aanwezigheid KvK-nummer;
•Relevante diploma’s en/of werkervaring indien noodzakelijk;
•De norm ‘verantwoorde werktoedeling’ is van toepassing bij de inzet van een informele zorgverlener.
5. Verlengde jeugdhulp
5.2 Jeugdhulp na de 18e verjaardag
5.2.1 Afwegingskader noodzakelijke verlengde jeugdhulp
Voor noodzakelijke verlengde jeugdhulp geldt dat:
•Verlengde jeugdhulp kan alleen van toepassing zijn als deze niet valt onder een andere wet (Wlz, Zvw, Wmo 2015 etc.).
•De hulp ingezet moet zijn voor de 18e verjaardag of het moet voor de 18e verjaardag zijn bepaald dat de hulp ingezet moet worden. Daarbij geldt ook dat er sprake kan zijn van verlengde jeugdhulp indien er binnen een half jaar wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd, toch nodig blijkt te zijn.
•(Individuele) begeleiding na het 18e levensjaar behoort tot de Wmo 2015, behalve:
o Als het gaat om hulp die voor 2015 onder de Wet op de jeugdzorg viel, bijvoorbeeld pedagogische gezinsbegeleiding, opvoedondersteuning of vaardigheidstrainingen.
o Bij (individuele) begeleiding die samenvalt met verblijf vanuit de Jeugdwet.