Aanhef
Inleiding
Onder de Omgevingswet en daarop gebaseerde Algemene Maatregelen van Bestuur zijn de regels voor het verbanden van afvalstoffen in de openlucht veranderd. Ook is artikel 10.2 van de Wet milieubeheer iets gewijzigd. Daardoor kan voor het ontbranden van vuren een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit dan wel een stookontheffing Wet Milieubeheer nodig zijn.
Milieubelastende activiteit of niet?
Het verbranden van snoeiafval/houtachtige soorten tijdens Pasen kan een milieubelastende activiteit (mba) zijn waarvoor een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 3.40e van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), noodzakelijk is. Bepalend voor het antwoord op de vraag of een paasvuur een milieubelastende activiteit is als bedoeld in het Bal, is of er sprake is van het verbranden van afgegeven of ingezameld snoeiafval. Als het antwoord op die vraag ‘Ja’ is, dan is het verbranden ervan een milieubelastende activiteit als bedoeld in het Bal.
Wanneer particulieren hun snoeiafval afgeven aan de organisatoren van een paasvuur dan is artikel 10.2 Wm niet meer van toepassing. Voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen die niet worden ingezameld of afgegeven, geldt nog steeds een verbod met ontheffingsmogelijkheid volgens de Wet Milieubeheer.
Het verbranden van afvalstoffen kan verschillende nadelige gevolgen veroorzaken voor het milieu. Voor paasvuren zijn met name het ondoelmatig beheer van afvalstoffen en verontreiniging van de lucht en bodem relevant. Deze gevolgen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen of, waar niet mogelijk, worden beperkt.
Planologische regels
Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning mba kan worden verleend, is er ook een relatie met de regels in het omgevingsplan. Als het omgevingsplan een paasvuur toestaat, is daarmee vastgelegd dat er bij die activiteiten sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als dit nog niet het geval is, dan zal dit ook aandacht moeten krijgen.
Actualisering paasvurenbeleid
Bovenstaande heeft gevolgen voor de wijze waarop de traditionele paasvuren worden gereguleerd. Zag de regulering eerder vooral op veiligheids- en stikstofaspecten, nu geldt dit ook voor milieu-, gezondheids- en ruimtelijke aspecten. Er is sprake van een complex juridisch- en beleidskader dat een brede, integrale belangenafweging vraagt.
De Drentse gemeenten met paasvuren hebben samen met de provincie Drenthe, Omgevingsdienst Drenthe, Veiligheidsregio Drenthe en GGD Drenthe een verkenning gedaan naar de lokale mogelijkheden om de paasvurentraditie te reguleren en borgen.
De uitkomst van deze verkenning is in dit beleidskader voor gemeente Aa en Hunze uitgewerkt in de volgende onderdelen:
1uitgangspunten voor regulering en instandhouding van de paasvurentraditie;
2beleidsregels voor de toetsing van de aanvragen omgevingsvergunningen milieubelastende activiteit;
3regulering/borging van het medegebruik van gronden voor paasvuren;
4handelsperspectief voor Natura2000- en flora- en fauna-activiteiten.
In bijlage 1 is de wet- en regelgeving en het beleidsmatig kader uitgewerkt dat van toepassing is op het verbranden van afvalstoffen/ontbranden van paasvuren.
2. Beleidsregels voor het verlenen van omgevingsvergunningen milieubelastende activiteit voor het ontbranden van traditionele paasvuren
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a.Snoeiafval: takken, bladeren of stammen afkomstig van onderhoudswerkzaamheden door particulieren in tuinen, parken, plantsoenen en bosgebieden;
b.Traditioneel paasvuur: een voor publiek toegankelijk paasvuur dat bij wijze van traditie ter gelegenheid van Pasen op Eerste of Tweede Paasdag wordt ontstoken.
Artikel 2 Aanvraagprocedure
1De aanvraag moet worden ingediend via het digitaal aanvraagformulier op het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl).
2De aanvrager is een vereniging, stichting of Boermarke die staat ingeschreven in het handelsregister op een adres in de desbetreffende gemeente en heeft binding met de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft.
3De omgevingsvergunning moet uiterlijk 16 weken voorafgaande aan de ontbranding worden aangevraagd.
Artikel 3 Beoordelingscriteria toestaan paasvuur
1De vergunningverlener toetst de aanvraag aan de beoordelingsregels in paragraaf 8.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
2Een omgevingsvergunning voor een paasvuur kan worden verleend als wordt voldaan aan de beoordelingsregels in het eerste lid en sprake is van een traditioneel paasvuur dat bijdraagt aan de cultuurhistorische traditie en ter gelegenheid van Pasen op Eerste of Tweede Paasdag wordt ontstoken.
3Het huidige aantal (15) is het maximum aantal toegestane, traditionele paasvuren per kalenderjaar waarvoor een vergunning kan worden verleend. Hiermee wordt voorkomen dat onbegrensde hoeveelheden afvalstoffen ondoelmatig worden aangewend.
4Het verplaatsen van een bestaand paasvuur naar een andere locatie is in principe mogelijk, mits het vuur nog als deel van de traditionele praktijk kan worden aangemerkt.
5Een nieuwe groep kan in de plaats van/in de opvolging van een bestaande groep een traditioneel paasvuur organiseren als ze zich verbinden met de bestaande gebruiken:
a.dezelfde datum (Paasweekend);
b.dezelfde symboliek (winter afsluiten, licht brengen, gemeenschap samenbrengen);
c.dezelfde rituelen (gezamenlijk hout inzamelen en opbouwen, ontsteken op een bepaald tijdstip, gezamenlijke viering).
6Als veranderende omstandigheden of gewijzigde wet- en regelgeving daartoe aanleiding geven, kan de vergunning worden ingetrokken dan wel gewijzigd.
Artikel 4 Voorschriften m.b.t. milieu en gezondheid
Uit oogpunt van doelmatig beheer van afvalstoffen en lucht- en bodemkwaliteit worden de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden:
a.Er mag alleen ingezameld en afgegeven (schoon) snoeiafval worden verbrand;
b.Een paasvuur heeft een maximale omvang van 1.000 m³;
c.Op de dag van ontbranding mogen er geen bijzondere, lokale omstandigheden zijn die de bestaande luchtkwaliteit al significant beïnvloeden, zoals ernstige smog of zeer dichte mist;
d.Ter voorkoming van afspoeling moet tussen het paasvuur en oppervlaktewaterlichaam een afstand van tenminste 10 meter worden aangehouden.
e.Om uitloging naar de bodem te voorkomen moeten de afgekoelde asresten binnen drie weken na het verbranden worden verwijderd en afgevoerd naar een afvalverwerkingsbedrijf of gemeentelijk afvalbrengstation.
Artikel 5 Voorschriften m.b.t. veiligheid en hinder
Uit oogpunt van (brand)veiligheid en hinder voor de omgeving worden de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden:
a.Het opbouwen van de paasvuurbult mag vanaf 3 respectievelijk 4 dagen voorafgaand aan het ontsteken van het paasvuur op Eerste respectievelijk Tweede Paasdag plaatsvinden;
b.Er mogen geen brandbare vloeistoffen (benzine, petroleum e.d.) worden gebruikt bij het ontsteken van het paasvuur;
c.Als hulpbrandstof bij het aansteken mag alleen stro of papier worden gebruikt;
d.Door de ontbranding mag geen overlast voor de omgeving en het verkeer optreden;
e.De door de Veiligheidsregio Drenthe (VRD) geadviseerde veiligheidsvoorschriften, zoals opgenomen in de Handreiking VRD 2026:
Veiligheidsvoorschriften bij fase 1 (grootte tot 1000 m3)
De onderstaande veiligheidsvoorschriften zijnuitsluitend van toepassing op paasbulten tot
1000 m3 (met ongeveer de volgende afmetingen: 15 x 15 x 4,5meter; 12 x 12 x 7 meter; 11 x 11 x 8 meter):
Paasbulten liggenbij voorkeur buiten debebouwde kom.
Paasbulten zijn stabielen aaneengesloten opgebouwd.
Tussen rietgedekte bouwwerken en een paasvuur wordteen afstand van minimaal 200
meter aangehouden.
Tussen overige bebouwing en paasvuren wordteen afstand van minimaal 50 meter aangehouden.
Tussen bos,heide, veen en andere natuurgebieden5 wordt een afstand van minimaal 100
meter aangehouden.
De afstand tussen een rijksweg (A-weg), provinciale weg (N-weg), waterweg en spoorweg bedraagt minimaal 500 meter.
Voor overige openbare wegen geldt dat passerend verkeer geen hinder mag ondervinden van het paasvuur. Om die redenwordt geadviseerd minimaal 20 meter afstand te houden.
Een paasvuur wordt alleen ontstoken als de windkracht 5 Beaufort of minder is. Bij hogere windsnelheden komt de rookpluim nietmeer vrij vande grond. Dit levert vooralextra risico’s op voor wegverkeer. Daarnaast verspreidt vliegvuur zich verder en sneller bij harde wind, waardoor de kans op secundaire branden toeneemt.
De afstand tussen eenhoogspanningstracé en eenpaasvuur bedraagt minimaal 40 meter. Als de afstand minder dan 500 meter bedraagt dient melding gedaan te worden bij de netbeheerder.
De afstand tussen ondergrondse buisleidingen of kabeltracés bedraagt minimaal 25 meter te bedragen.
Het paasvuur is tot op 50 meter viaeen verhard padbereikbaar voor eenuitrukvoertuig van de brandweer.
Het ontsteken mag niet plaatsvinden/de ontbranding wordt beëindigd, wanneer onvoorziene situaties optreden die een gevaar vormen voor de omgeving.
Te denken valt aan: plotseling draaiende wind, waardoor verkeer wordt gehinderd; een weeralarm van het KNMI; etc.
In aanvulling op de veiligheidsvoorschriften in Fase 1 gelden voor Fase 2 de volgende aangescherpte voorschriften:
Veiligheidsvoorschriften bij fase 2 (grootte tot 1000m3)
Bij fase 2 (extreme droogte) adviseert Brandweer Drentheom zeer voorzichtig te zijn met paasvuren. Paasvuren die aan de verscherpte veiligheidsvoorschriften voldoen kunnen worden ontstoken, wanneer het bevoegd gezag dit verantwoord acht.
De ondergrond onder en rond het paasvuur is zodanig dat er geengrondvuur kan ontstaan, in verband met de veiligheid van het publiek.
De afstand van het paasvuur tot een brandgevaarlijk object (bijv. rietgedekt object, feesttenten, etc.) is 500 meter bovenwinds en 1000 meter benedenwinds zijn. Omdat de windrichting niet op voorhand te bepalen is,betekent dit dat een cirkelvan 1000 meter
rondom het paasvuur aangehouden moet worden.
De afstand van het paasvuur tot een natuurbrandgevaarlijk gebied/perceel is 250 meter bovenwinds en 500 meter benedenwinds zijn als er een reële kans is op een snelle branduitbreiding of een moeilijk beheersbare natuurbrand. Omdatde windrichting niet op voorhand te bepalen is, betekent dit dat een cirkel van 500 meter rondom het paasvuur aangehouden moet worden.
Bij paasvuren die wel voldoen aan de afstanden zoals genoemd bij punten b en c maar waarbij zich tocheen kans voordoet op het ontstaan van beperkte secundaire branden dient preventief voldoende bluswater aanwezig te zijn.Dit bluswater wordtNIET geleverd door de
brandweer in verband met het in stand houdenvan de basisbrandweerzorg.
Er kunnen zichweersomstandigheden voordoen tentijde van het ontsteken vande paasbult die de situatie alsnog onverantwoord maken. Het voldoen aan bovenstaande voorschriften verkleint het risico, maar is geen garantie dat zich geen incidenten voor kunnen doen.
Hebben paasbulten een grotere inhoud dan betekent dit meer vuurbelasting, waardoor de bovenstaande voorschriften onvoldoende zijn om de aanwezige risico’s te minimaliseren.
Artikel 6 Overige voorschriften
1De opbouw en ontbranding mogen alleen plaatsvinden onder voortdurende controle van een meerderjarig contactpersoon (zoals aangegeven op het aanvraagformulier) namens de organisatie. Deze persoon moet in het bezit zijn van onderhavige vergunning en deze op verzoek tonen aan medewerkers van brandweer en politie en/of toezichthouders van de omgevingsdienst of gemeente.
2Bij het onbeheersbaar worden van de brand waarschuwt de onder het eerste lid genoemde persoon de brandweer via het centrale alarmnummer 112.
3Gedurende de ontbranding moeten EHBO-materiaal (branddekens en verbandmateriaal) en brandblusmiddelen aanwezig zijn.
4Door toezichthouders van de gemeente/omgevingsdienst en medewerkers van politie en brandweer gegeven aanwijzingen moeten altijd worden opgevolgd.
5Indien niet aan de gestelde voorwaarden, voorschriften of aanwijzingen wordt voldaan kan door het college van burgemeester en wethouders of de door hen aangewezen personen, te allen tijde het paasvuur worden verboden.
6De vergunninghouder is aansprakelijk voor alle schade, die als gevolg van het gebruik van deze vergunning wordt geleden.
Artikel 7 Beoordelen natuurbrandrisico
1In Nederland hanteren we twee fasen om het risico op natuurbrand aan te geven. Fase 1 (regulier risico) en Fase 2 (Extra alert - verhoogd natuurbrandgevaar).
2De Veiligheidsregio Drenthe (VRD) brengt advies uit aan de gemeenten over het natuurbrandrisico i.r.t. de weersomstandigheden.
3Het fase-overleg over het natuurbrandrisico vindt wekelijks op de dinsdag plaats. Het definitieve advies vanuit de VRD wordt woensdags doorgegeven aan de gemeenten en gaat in van vrijdag op zaterdag om 00:00 uur.
4Op de woensdag voor Pasen vindt, indien nodig, bestuurlijk overleg plaats over de fase indeling van het natuurbrandrisico i.r.t. paasvuren.
Artikel 8 Verbod tot ontbranding
1Er mag geen ontbranding van een paasvuur plaatsvinden als voor het betreffende paasvuur tevens een of meer van de hierna genoemde andere toestemmingen vereist is/zijn en deze niet is/zijn verleend:
a.evenementenvergunning of melding;
b.omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit;
c.omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
2Er mag ook geen ontbranding plaatsvinden bij:
a.windkracht 6 Beaufort of meer;
b.droogte en andere onvoorziene, extreme weersomstandigheden, waarbij sprake is van Fase 2 “Extra alert” en het bevoegd gezag heeft besloten dat een paasvuur geen doorgang mag vinden.
3Als het ontbranden van reeds opgebouwde paasvuren vanwege extreme weersomstandigheden op Eerste en/of Tweede Paasdag niet mogelijk is, kan het college besluiten dat het paasvuur later alsnog ontbrand mag worden.
4Een paasvuur dat niet ontstoken kan worden moet binnen 14 dagen na de vergunde of uitgestelde datum van ontbranding zijn opgeruimd.
Artikel 9 Afwijkingsbevoegdheid
Het college kan gemotiveerd afwijken van deze beleidsregels, indien sprake is van bijzondere omstandigheden of zwaarwegend maatschappelijk belang.
Artikel 10 Slotbepalingen
1Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking
2Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels verlenen omgevingsvergunningen ontbranden traditionele paasvuren”.
Gieten, 7 september 2026
Het college van de gemeente Aa en Hunze,
de heer R.L.H. Schoonderbeek
secretaris
de heer A.W. Hiemstra
burgemeester
Bijlage 1 Juridisch en beleidsmatig kader
Voor het organiseren van paasvuren is onderstaande wet- en regelgeving en beleidskader relevant.
1Landelijk kader
-Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) - milieubelastende activiteit
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ook de wetgeving voor het toestaan van paasvuren en het in de open lucht verbranden van snoeiafval gewijzigd. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is namelijk ook de Wet milieubeheer gewijzigd. Gevolg van deze wetswijzigingen is dat het verbranden van ingezameld of afgegeven snoeiafval nu een milieubelastende activiteit (mba) is.
Op grond van artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder b, Omgevingswet is het verboden zonder een omgevingsvergunning een mba te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
In artikel 3.40d, lid 1, onder b, Bal is het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in de open lucht/buiten een installatie aangewezen als een mba.
Hieronder valt ook het verbranden van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen, waaronder het verbranden van snoeiafval van paasvuren.
Voor paasvuren/vreugdevuren met afgegeven of ingezamelde afvalstoffen (zoals snoeiafval, pallets, kerstbomen) geldt nu een vergunningplicht in plaats van een ontheffing (zie de pagina ‘Vreugdevuren en paasvuren: vergunning in plaats van ontheffing’ van het Informatiepunt Leefomgeving).
In artikel 3.40 e, lid 1, is vervolgens bepaald dat het verbod om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit (artikel 5.1, tweede lid, Omgevingswet) te verrichten geldt voor de milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 3.40d van het Bal.
Het college is het bevoegde gezag voor deze vergunningverlening, die als basistaak door de Omgevingsdienst Drenthe in mandaat moet worden uitgevoerd.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
In paragraaf 8.5.1 van het Bkl staan de beoordelingsregels waaraan een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een mba (als bedoeld in artikel 5.1 lid 2 aanhef en onder b van de Ow) moet worden getoetst. In artikel 8.9 t/m 8.11 van het Bkl staan de algemene beoordelingsregels. Ook gelden er specifieke beoordelingsregels voor omgevingsvergunningaanvragen voor mba’s, bijvoorbeeld voor zover de activiteit gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit (artikel 8.17 van het Bkl).
Artikel 8.9, lid 1, onder e, Bkl bepaalt dat het bevoegd gezag voor de mba dient na te gaan of er geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt door de aangevraagde milieubelastende activiteit. De omgevingsvergunning kan niet worden verleend als sprake is van significante milieuverontreiniging.
Op grond van artikel 8.9 lid 2 van het Bkl dient bij de beoordeling van de aanvraag voor de onderhavige mba op grond van artikel 3.40e lid 1 van het Bal rekening te worden gehouden met (o.a.) artikel 10.14 van de Wet milieubeheer.
Artikel 10.14 Wet milieubeheer bepaalt dat ieder bestuursorgaan bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid krachtens artikel 4.1 van de Ow rekening dient te houden met het geldende afvalbeheerplan, voor zover de betreffende taak of bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen.
Op grond van artikel 8.9, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) houdt het bevoegd gezag bij de beoordeling of een milieubelastende activiteit leidt tot significante milieuverontreiniging in ieder geval rekening met het omgevingsplan, omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening.
Hierdoor wordt de samenhang bevorderd tussen de regels in het omgevingsplan en de eisen die aan milieubelastende activiteiten worden gesteld.
De wetgever heeft er bewust voor gekozen geen nadere invulling te geven aan de vraag wanneer sprake is van een ‘significante milieuverontreiniging’. Dit betekent dat het bevoegd gezag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een mba moet motiveren op welke wijze de regels in het omgevingsplan de inhoud van het besluit hebben beïnvloed.
Het omgevingsplan zal o.a. regels bevatten over de milieugevolgen van milieubelastende activiteiten, zoals geluid, trillingen, geur en externe veiligheid. Het omgevingsplan kan een belangrijke rol spelen bij de beoordeling of sprake is van «significante milieuverontreiniging» door een milieubelastende activiteit. Bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning mba voor paasvuren moet ook met deze aspecten rekening worden gehouden om te kunnen beoordelen of al dan niet sprake is van significante milieuverontreiniging. Een omgevingsvergunning kan worden verleend als ondanks afwijking van de regels van het omgevingsplan is gewaarborgd dat de activiteit geen significante verontreiniging veroorzaakt. In dat geval moet wel een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit worden aangevraagd.
In artikel 8.17 van het Bkl zijn aanvullende beoordelingsregels opgenomen voor mba’s die bijdragen aan de concentraties van stoffen waarvoor omgevingswaarden zijn vastgesteld die resultaatsverplichtingen zijn. Deze beoordelingsregels gelden alleen voor het geval waarin de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van die stoffen.
In artikel 8.17 lid 1 van het Bkl is geregeld dat, wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een mba die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van de stoffen zoals aangegeven onder a t/m h, de omgevingsvergunning voor een mba alleen wordt verleend als de daarvoor geldende omgevingswaarden in acht worden genomen.
Een toename van concentraties voor de luchtverontreinigende stoffen kan dus worden toegestaan op locaties waar aan de norm wordt voldaan, zolang een activiteit niet tot een overschrijding van de omgevingswaarden leidt. De omgevingswaarden (lees: de ten hoogste toelaatbare concentraties) waarnaar in artikel 8.17 lid 1 van het Bkl wordt verwezen, zijn vastgesteld in de artikelen 2.3 t/m 2.6 van het Bkl en zien op concentratiewaarden in de buitenlucht voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijnstof, benzeen, lood en koolmonoxide.
-Wet milieubeheer is nog van toepassing op het verbranden van niet ingezamelde en afgegeven snoeiafval op eigen terrein. Op grond van artikel 10.63, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, hiervoor een ontheffing verlenen.
-Landelijk Afvalbeheer Plan: Per 1 januari 2026 is het landelijk afvalbeleid vastgelegd in het Circulair Materialenplan (CMP), Afvalplan groenafval. De primaire doelgroepen waarvoor het CMP geschreven is, zijn zowel de bedrijven die deze afvalstoffen verwerken of grensoverschrijdend transporteren als het bevoegd gezag dat voor deze activiteiten toestemming moet verlenen.
In paragraaf 5.2.4. is aangegeven dat afvalstoffen in bijna alle gevallen hoogwaardiger kunnen worden verwerkt dan verbranden (als vorm van verwijderen). In alle gevallen leidt verbranding zonder milieubeschermende voorzieningen bovendien tot emissies (met name naar de lucht) die zeer schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid en het milieu.
Ook kan het verbranden van - met name grote hoeveelheden - afvalstoffen gevaar opleveren als het vuur zich ongehinderd kan verspreiden. Met het verlenen van een ontheffing of een vergunning voor het verbranden van afvalstoffen in de open lucht dient moet terughoudend worden omgegaan.
Het verbranden van afval in de open lucht is in de basis niet doelmatig en zorgt voor een slechtere luchtkwaliteit. Voor paasvuren of vreugdevuren kan de gemeente kiezen om een uitzondering te maken. Daarom wordt geadviseerd om terughoudend te zijn bij het verlenen van zo’n omgevingsvergunning.
Als iemand alleen eigen snoeiafval wil verbranden in de open lucht (huishoudelijk afval), geldt nog wel de procedure van een ontheffing (op grond van artikel 10.63 van de Wet milieubeheer). Ook daarbij geldt de voorwaarde van een doelmatig beheer, en dus een terughoudendheid om zo’n ontheffing te verlenen.
-De Omgevingswet reguleert ook de Natura2000- en flora & fauna-activiteiten. Hiervoor is de provincie het bevoegd gezag. Met de regels die gaan over het beschermen van bepaalde plant- en diersoorten en Natura2000-gebieden moet bij het organiseren van paasvuren ook rekening worden gehouden. Er moet aantoonbaar worden voldaan aan de ‘zorgplichtvereisten’ in de wet.
-Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving – buitenplanse omgevingsplanactiviteit
In de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet is bepaald wat een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (kortweg: BOPA) is. Een BOPA is een activiteit die in strijd is met de voor die activiteit in het omgevingsplan opgenomen regels en waarvoor het verboden is om de activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een BOPA kan ook een activiteit zijn die in strijd is met het omgevingsplan maar waarvoor het omgevingsplan geen verbod bevat om de activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een paasvuur is een voorbeeld van zo’n activiteit.
-Het wettelijk toetsingskader voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is geregeld in paragraaf 8.1.1.2 van het Bkl. Artikel 8.0b van het Bkl schrijft voor dat een omgevingsvergunning voor een BOPA in ieder geval moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dat betekent dat een activiteit moet worden getoetst aan alle relevante aspecten die invloed kunnen hebben op de betreffende locatie en zijn omgeving. Daarbij kun je onder andere denken aan geluid, water, bodem, veiligheid, natuur en gezondheid. De artikelen 8.0c en 8.0d van het Bkl schrijven voor dat een omgevingsvergunning voor een BOPA ook moet voldoen aan de instructieregels voor omgevingsplannen van het Rijk (Bkl) en de provinciale Omgevingsverordening.
-Herziene Europese richtlijn luchtkwaliteit
De normen voor diverse stoffen zijn aangescherpt om de gezondheid van de Europese bevolking beter te beschermen. Het gaat onder andere om scherpere grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (zowel de PM10-fractie, als de fijnere PM2.5- fractie). De aangescherpte grenswaarden gelden vanaf 2030 en liggen dichter bij de advieswaarden van de WHO dan de huidige grenswaarden.
2Internationale verdragen en landelijk juridisch en beleidsmatig kader Immaterieelerfgoed
-Twee verdragen vormen de basis voor het Nederlandse immaterieel erfgoedbeleid:
•Het UNESCO-verdrag voor Immaterieel Cultureel Erfgoed verplicht overheden een gunstig klimaat en bewustwording te creëren van het belang/de waardes van immaterieel erfgoed. Beoefenaren van immaterieel erfgoed moeten worden ondersteund bij de borging ervan. Dit ‘levend’ erfgoed moet zich aanpassen aan maatschappelijke ontwikkelingen en is daardoor aan verandering onderhevig.
•Het Verdrag van Faro, de waarde van cultureel erfgoedvoor de samenleving wil dat mensen zo goed mogelijk in staat zijn hun erfgoed te beoefenen, waarbij ze de mens centraal zetten. Het samen beoefenen van erfgoed is onderdeel van het sociale cement van onze samenleving. Ratificatie van dit bedrag door Nederland moet nog plaatsvinden.
-Erfgoedwet (2016): legt de basis voor cultuurgoedbeheer, inclusief roerend en immaterieel erfgoed. De wet biedt een juridisch kader waarbij overheden de beoefenaars van immaterieel erfgoed moeten ondersteunen en het voortbestaan van tradities actief bevorderen (borgen). Hoewel traditionele volksgebruiken zoals paasvuren in Nederland niet expliciet worden genoemd als formeel erfgoed, vallen deze rituelen onder immaterieel erfgoed en kunnen zij beschouwd worden als onderdeel van de nationale/lokale culturele identiteit.
-Beleidsvisie Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen (4 april 2024) is gericht op het versterken, beschermen en duurzaam in stand houden van immaterieel cultureel erfgoed in Nederland. Hierin wordt onderstreept dat immaterieel erfgoed een levend en dynamisch onderdeel is van de Nederlandse cultuur en dat het beleid hierop moet spelen met een balans tussen behoud, participatie en innovatie. Kernpunten van de beleidsvisie:
a.Immaterieel erfgoed omvat tradities, dialecten, ambachten, festivals, rituelen en kennis die binnen gemeenschappen worden doorgegeven. Dit erfgoed draagt bij aan de culturele iden-titeit en sociale samenhang van diverse groepen in Nederland.
b.Het belang van een herkenbare, inclusieve en levendige erfgoedpraktijk wordt benadrukt. Het beleid richt zich op het ondersteunen van gemeenschappen die het immaterieel erfgoed in ere houden, met respect voor pluriformiteit en innovatie.
c.Er wordt ingezet op een grotere betrokkenheid van lokale gemeenschappen, culturele organisaties en onderwijs bij het documenteren, doorgeven en vieren van immaterieel erfgoed. Dit stimuleert actieve participatie en een breed draagvlak
d.Het beleid stimuleert de digitale opname en ontsluiting van immaterieel erfgoed, zodat kennis en tradities beter bewaard blijven en toegankelijk zijn voor het brede publiek, onderzoekers en toekomstige generaties. Nadruk ligt op samenwerking tussen overheidsinstanties, erfgoedorganisaties en inter-nationale partners, bijvoorbeeld via UNESCO-verdragen, om kennisuitwisseling en bescherming op Europees en mondiaal niveau te bevorderen.
e.De beleidsvisie beoogt erfgoedpraktijken toekomstbestendig te maken door ruimte te bieden voor ontwikkeling en aanpassing binnen tradities zonder de authentieke waarden aan te tasten.
-Bestuurlijke afspraken/ambities rijk, IPO en VNG cultuurbeoefening 2025–2028 ‘Een leven lang cultuur en erfgoed beoefenen’ (10 januari 2025)
a.Eenduidiger maken van het beleid voor cultuur- en erfgoedbeoefenaars, aanbieders en ondersteuners en binnen de overheden zelf.
b.Toegankelijker maken van cultuurbeoefening voor cultuur- en erfgoedbeoefenaars.
c.Actualiseren van onderlinge afspraken.
d.Verkennen hoe de partijen met de sector structurele knelpunten en uitdagingen kunnen aanpakken. Om de komende jaren uitvoering te geven aan onze ambities kondigen de partijen hier het Ontwikkel-traject cultuurbeoefening 2025–2028 aan. In dit traject gaan OCW, IPO en VNG samen met de sector(beleids-)verkenningen uitvoeren naar structurele knelpunten. Dit betreffen complexe knelpunten die vragen om samenwerking tussen de overheidslagen. De verkenningen vormen de basis op het vervolg van deze bestuurlijke afspraken in de toekomst.
3Lokaal kader
-Algemene plaatselijke verordening (APV)
Naast de rijksregels golden/gelden voor vuren in de open lucht ook regels voor hinder, gevaar en openbare orde in de APV (artikel 5:34 model-APV). Op basis van dit artikel is een ontheffing van het stookverbod nodig, met enkele uitzonderingen voor kleinschalige vuren.
Hinder, overlast en veiligheid kan ook worden meegenomen in de omgevingsvergunning. Het is de vraag of artikel 5:34 voor verbranding van ingezamelde/afgegeven afvalstoffen nog aanvullende werking heeft.
-Omgevingsvisie, -plan, erfgoedbeleid en evenementenbeleid
De bestuurlijk, strategische keuze om het belang en de instandhouding van immaterieel erfgoed tot uitdrukking te brengen vindt bij voorkeur plaats in de omgevingsvisie dan wel in het erfgoedbeleid. Voor de traditie van paasvuren betekent dit strategische beleid dat plekken waar vuren worden ontstoken in een planologisch kader kunnen worden beschermd of dat activiteiten er zo worden gereguleerd dat het voortbestaan kan worden gewaarborgd.